22 augustus 2016

Over de scheiding tussen de borsten van kerk en staat


Trilogieën lezen kan spannend zijn. De taak van de auteur is het vanzelfsprekend om drie flinke turven te schrijven, eventueel met een paar tussenpauzes, maar altijd toekijkend of zijn lezer nog blijft volgen.

Rémi Brague heeft dat gedaan, en het eerste deel van zijn trilogie verscheen in 1999: La sagesse du monde, Histoire de l’expérience humaine de l’Univers, 445 bladzijden.
In 2005 al verscheen deel twee: La Loi de Dieu, Histoire philosophique d’une Alliance, iets dikker, 582 bladzijden.
En in januari dit jaar was deel drie gedrukt: Le Règne de l’Homme, Génèse et échec du projet moderne, 403 bladzijden slechts, maar de bladzijden zijn wat groter. En eigenlijk zijn het maar 270 bladzijden want de rest zijn noten en indexen. Bij de eerste twee delen was dat ook zo.
Dat derde deel ben ik nog aan het lezen, maar de titel laat geen happy end vermoeden.

In La Sagesse du Monde legde Brague uit hoe de vroege mensen naar de zon en de maan en de sterren keken, en daarbij regelmatigheden ontdekten die ze ook voor henzelf betekenisvol vonden. In deel twee, La Loi, komt God dan op de proppen en hij vaardigt wetten uit – of juist niet want die dingen zijn niet zo eenvoudig verlopen als je wel zou denken.
Over het derde deel kan ik begrijpelijkerwijs nog niets zeggen, maar op p.429 van La Loi de Dieu staat iets dat vele journalisten en politici zouden moeten lezen, al gaat het niet over boerkini’s.

– Ikzelf heb dat kledingstuk overigens nog niet gezien, tenzij op foto’s, terwijl ik vorige week nochtans in Knokke was en van bij Corman zie je door het raam het strand heel goed.
Bon, laten we Brague dan iets vertellen over de scheiding van kerk en staat, waar je ook veel over hoort en leest:

On ne cesse aujourd’hui de parler de la distinction du politique et du religieux. Les uns se flattent de vivre dans une culture où une telle distinction a eu lieu, voire souhaitent qu’on la pousse encore plus loin jusqu’à éliminer toute trace d’une influence du religieux sur la vie publique des hommes. Les autres se félicitent de vivre dans une culture où cette distinction n’a toujours pas été opérée de façon irréversible, ou rêvent de refermer la déchirure qui menace la belle totalité de la communauté. Les deux invoquent cette distinction pour se reprocher mutuellement d’avoir ou non abandonné une indistinction supposée originelle. La symétrie en miroir entraîne des distorsions dans la perception des cultures les unes par les autres : une même séparation, perçue comme progrès en Europe, est lue comme un signe de décadence en Islam.
Or, on peut se demander si cette séparation tant chantée, et sa traduction concrète dans la « séparation de l’Église et l’État », ont jamais eu lieu. Cette dernière formule est d’ailleurs trompeuse. Elle suggère d’abord, en effet, l’existence d’une union initiale ; elle suppose ensuite que l’État et l’Église sont des institutions qui auraient existé depuis toujours. Ces deux hypothèses ne sont guère fondées. Il vaudrait mieux parler du développement parallèle de de deux institutions qui n’ont jamais formé une unité. 

Men houdt vandaag niet op met spreken over het onderscheid tussen politiek en religie. De enen vleien zich met de gedachte dat ze in een cultuur leven waar men dit onderscheid heeft gemaakt, en wensen soms zelfs dat het nog verder doorgedreven wordt, tot elk spoor van religieuze invloed op het publieke leven van de mens geëlimineerd is. De anderen prijzen zich gelukkig te leven in een cultuur waar dat onderscheid nog niet onomkeerbaar is doorgevoerd, of dromen ervan de scheur weer dicht te maken die de mooie geheelheid van de samenleving bedreigt. Allebei hebben ze het over dat onderscheid en verwijten ze elkaar wederzijds dat ze deze, verondersteld bij aanvang nog ongescheurde toestand al of niet hebben achtergelaten. De gespiegelde symmetrie brengt dan vervormingen mee in de manier waarop culturen elkaar zien: eenzelfde onderscheid dat men in Europa ziet als een vooruitgang, wordt in de islam als een teken van decadentie verstaan.
Maar men kan zich afvragen of deze zo veelbezongen scheiding, en de concrete vertaling ervan in “scheiding van kerk en staat”, ooit wel heeft plaatsgehad. Die laatste uitdrukking is trouwens misleidend. Vooreerst suggereert ze inderdaad dat er een oorspronkelijke eenheid is geweest; vervolgens veronderstelt ze dat Kerk en Staat instellingen zijn die altijd al hebben bestaan. Die twee hypotheses zijn nauwelijks gefundeerd. Beter zou het zijn om te spreken over de parallelle ontwikkeling van twee instituten die nooit een eenheid hebben gevormd.

Hiermee hoop ik enkele lezers overtuigd te hebben om alvast met deel één te beginnen.


17 augustus 2016

Een dwaling die in alle landen voorkomt


De naam Κασσάνδρα (Cassandra) wordt vandaag vaak afgeleid van κέκασμαι (kékasmai), schitteren, excelleren, en ανήρ (anèr), man, met als genitief andrós: zij die schittert onder de mannen. Bij Robert Graves (The Greek Myths, deel II, Penguin 1960) heette het nog dat de naam betekent “zij die mannen in verwarring brengt”. Wat er ook van zij – u mag zelf kiezen – feit is dat de mooie Cassandra in slaap was gevallen in de tempel en er bezocht werd door de god Apollo die met haar de liefde wilde bedrijven. Zij stemde toe als hij haar eerst de kunst van de voorspelling zou leren. Maar eens ze die gave bezat, weigerde ze hem haar gunsten. De god smeekte nu om tenminste een kus, en dat stond ze toe. Apollo spuwde daarbij in haar mond, waardoor niemand ooit nog zou geloven wat Cassandra allemaal voorspelde.
En inderdaad, toen de Grieken met het geschenk kwamen dat wij nu het paard van Troje noemen, nam niemand haar waarschuwingen ernstig.
Op zich was dat erg genoeg, maar wat ik in de Griekse mythen (we volgen hier Graves) niet heb gevonden, is dat men Cassandra’s voorspelling als oorzaak van de daaropvolgende ramp beschouwde.
Dat is tegenwoordig wel anders. In zijn beroemde speech van 1968 zei Enoch Powell: Bovenal zijn mensen geneigd om het voorspellen van problemen te verwarren met het veroorzaken van problemen, of zelfs het zoeken van problemen: “Als men”, willen ze graag denken, “als men er maar niet over praat, dan gebeurt het wellicht niet.”
In Frankrijk zie je dat ook, en ook bij ons komt de waangedachte voor dat de boodschapper die men – conform de Griekse mythe – eerst niet wil geloven, de oorzaak is van de kwaal. Het is een soort journalistieke bezweringsformule geworden.
In Duitsland is dat ook het geval, zo vertelt ons Frauke Petry van de Alternative für Deutschland, in een toespraak die ze in Zwitserland hield. Een fragment hieruit:



[na 17 minuten] ...en zo komen wij opnieuw, dames en heren, op het thema ‘directe democratie’. Wat wij nodig hebben zijn volksraadplegingen, beslissende referenda – zoals u die gewend bent – hoogstwaarschijnlijk zelfs in heel Europa, maar in elk geval in het grootste Europese land, in Duitsland, zodat de politieke wereld ertoe gedwongen wordt zijn eigen plannen, zijn eigen denkbeelden als hij die überhaupt heeft, af te stemmen op het buikgevoel van de burger.
Dit is geen kroegpraat, zoals het geringschattend heet – dat mag het helemaal niet zijn – dit is, in de beste zin van het woord populistisch. Ze zijn noodzakelijk, om zaken die in de samenleving gedeeld worden überhaupt nog aan de oppervlakte te brengen, want ook wij stellen vast dat de politieke discussie, het dagelijkse regeerwerk, dat wat een parlementslid elke dag bezighoudt, hem al zeer vlug van de burger verwijdert. En dus moet de politicus gedwongen worden om zich door de Soeverein [Petry gebruikt deze term, die in Zwitserland "de, burger, de kiezer" betekent] te laten controleren. Maar dat mag niet zijn, en niemand doet het uit vrije wil want meningsverschillen doen ook persoonlijk pijn – dat zei ik bij het begin al. En om die reden zou men ook kunnen zeggen dat burgerparticipatie, dat volksraadplegingen als het om belangrijke thema’s gaat nodig zijn – en hier stemt u over veel meer thema’s dan in Duitsland überhaupt ooit denkbaar zou zijn – want tenslotte zijn deze het bindmiddel dat de samenleving duurzaam samenhoudt en dat een radicalisering, zoals we die nu in Duitsland hoe dan ook zien, kan verhinderen.
Gisteren aan de telefoon vroeg mij een journaliste van de Neue Zürcher Zeitung – die wij in Duitsland overigens hoogschatten, omdat hij veel artikels brengt die in de Duitse leidende kranten ondenkbaar zijn: dus wees daar af en toe een beetje trots op – er werd mij gevraagd of het voor de AfD niet bedenkelijk was dat wij medeverantwoordelijk zijn voor de radicalisering in Duitsland.
Nu weet u dat in Duitsland, door de meer dan één miljoen asielzoekers in het jaar 2015, een maatschappelijk werkelijk explosieve situatie is ontstaan waarbij het me telkens weer verblijdt te zien hoeveel burgers toch nog met grote gelatenheid omgaan met een situatie die ons niet enkel financieel maar ook wat het samenleven betreft sterk op de proef stelt, en niet zien wat onze politici ons land eigenlijk hebben aangedaan – met een uitkomst die open blijft welteverstaan! En als ze het vandaag over kleinere aantallen hebben, dan is dat precies niet de verdienste van de Bondskanselierster, maar eerder van zesentwintig van de achtentwintig EU-staten die tegen haar wil in handelden … wat zij vandaag echter als een succes van haarzelf verkoopt.
Dames en heren, vandaag in Duitsland zien wij werkelijk een verhitte toestand, wat zich weerspiegelt in demonstraties op straat, maar ook in niet te rechtvaardigen uitbarstingen van geweld, ook tegen asielcentra. En dan kijkt men graag naar het oosten, en zegt men dat in het oosten het bijzonder slecht gaat. Maar ja, als de natuurwetenschapper die ik als scheikundige ben, sta ik net als Churchill zeer kritisch tegenover elke statistiek die ik niet zelf vervalst heb. Feit is in elk geval dat, minstens in absolute aantallen gerekend het aantal gewelddadige overvallen gestegen is. En dit kent Zwitserland blijkbaar niet op die manier, en ik ben blij dat Zwitserland dit niet kent, want het is niet iets dat goedgekeurd kan worden door om het even wie die zich democratisch opstelt en zijn land ook als zodanig ziet.
Blijft echter het feit, dat wij het verwijt krijgen de aanstichters van dit probleem te zijn. En dat, dames en heren, is symptomatisch voor het politieke debat, zij het niet alleen in Duitsland, maar ik meen in vele delen, niet enkel van Europa maar misschien wel van de wereld. Men verklaart hier de boodschapper die met een slechte tijding komt tot veroorzaker van het probleem, omdat men over het eigenlijke probleem liever niet praat. En daarvoor hebben we dus de burger nodig, als het spreekwoordelijke kleine kind dat de situatie van vandaag precies onder woorden brengt: dat de keizer, of de kanselierster of wie dan ook in werkelijkheid spiernaakt is.
En als dit kind, dames en heren – hierin kunt u zich misschien inleven – zo voelt de AfD zich meermaals, en zij mag dan spot en hoon en hatelijkheid en allerhande laster slikken.
Maar als de burger, als de burgers tenslotte diegenen zijn die deze discussie mee kunnen voeren, omdat het vanzelfsprekend is dat zij meepraten, dan zal deze soort hetze [drijfjacht] – ik noem het met opzet altijd een hetze omdat het verhinderen van democratische meningen niets anders is, en omdat politici die het onderscheid tussen kritiek en hetze niet meer kennen, eigenlijk diegenen zijn die het democratische discours al lang verlaten hebben. En daaraan moeten wij ze herinneren. Dat moeten in de eerste plaats precies ook politici zich van de Soeverein laten welgevallen.

15 augustus 2016

Twee journalistieke reacties uit Zwitserland


In de ene reactie – Le Temps (de Genève), le 15 août – zien we aan de woordkeuze van de redacteur ('egocentrisme') dat hij, het moet gezegd worden, als een gebeten hond reageert op het bestaan en de macht van virtuele nieuwsbronnen. Dat is begrijpelijk, want na Keulen is het bijzonder duidelijk geworden dat de reguliere journalistiek, in samenspraak met de autoriteiten gewillig feiten verborgen houdt die het publiek op slechte gedachten zouden kunnen brengen. Daarvoor kon men nog doen alsof zulke journalistieke opvattingen enkel bestonden in paranoïde breinen, maar sindsdien weet het grote publiek het. Na zijn gevoelsmatige opstoot, waar wij zoals gezegd begrip voor hebben, herpakt de redacteur Nicholas Dufour zich gelukkig in een theoretische, bijna filosofische beschouwing:

De inwoners van dit stadje van 600 zielen proberen wanhopig de drijfveer achter de misdaad van zaterdag te begrijpen. […] In de eerste plaats, en zelfs al gaat hij volkomen op in zijn egocentrisme van berichtenverspreider die er meer van wil weten dan een ander, toch blijft de digitale mens tuk op officiële mededelingen, ook al worden die later ontkend. De instanties van München hebben dat spel meegespeeld en hebben er tot het eind de verantwoordelijkheid voor genomen. Deze van Sankt Gallen deden het omgekeerde, en gaven er de voorkeur aan enkel mee te delen wat zonder enige twijfel vaststond. Zo hebben zij, in een vergeefse poging om de geruchten te neutraliseren, meteen onderstreept dat de agressor de Zwitserse nationaliteit had. Daarna radiostilte.
In juli werden op het web de Müncheners geloofd voor hun keuze inzake communicatie. De mensen van Sankt Gallen werden de grond ingeboord vanwege hun zin voor geheimhouding – voor hun geheimzinnigdoenerij misschien, wie weet? Blijft dat in München de keuze om voortdurend te spreken tot verwarring heeft geleid. In Zwitserland heeft de omzichtige aanpak de frustraties aangescherpt. Voor officiële instanties is het een lastig dilemma.

In de Neue Zürcher Zeitung schrijft Daniel Gerny (14 augustus) over de „Amoktat in Salez“ onder de titel: „Unser fragiles Sicherheitsgefühl“
Maar wat is een amokdaad? Volgens Multatuli kwam amok nogal eens voor in Nederlands-Indië. Zo vreesden de autoriteiten in Badoer, dat de vader van Saïdjah “in een ogenblik van mata-glap misschien amok [kon] maken of andere verkeerdheden begaan zou.”
En al heeft de politie niets meegedeeld over de beweegreden van de dader, Gerny weet blijkbaar dat het in Salez om een geval van mata-glap ging, zinsverbijstering. Waar hij zijn precieze kennis vandaan haalt vertelt hij ons niet, maar verderop ziet Gerny de zaken heel breed. Hij hanteert het grote perspectief: het leven zelf is gevaarlijk, vernemen we!

[…] Het is niet atypisch voor onze in elk opzicht op de grootst mogelijke veiligheid gerichte samenleving, dat wij ons overdreven fel uit balans laten brengen door gebeurtenissen waarvan de foto’s ons schokken, maar waar statistisch gezien niet het grootste bedreigingspotentieel van uitgaat. Het leven op zich is gevaarlijk, en enkel de dood is een absolute zekerheid – deze waarheid is uit ons bewustzijn bijna weggebannen. Alles eraan doen opdat gewelddaden als die in Salez en Würzburg zich niet herhalen, is noodzakelijk. Tegelijk moeten we zonder paniek aanvaarden dat het ondanks alles toch kan gebeuren – met die zekerheid moeten we ons weer grondiger bezighouden.

11 augustus 2016

Nu het schooljaar weer in aantocht is


Wanneer noemen we een boek klassiek? Italo Calvino gaf ooit een grappige definitie: een klassiek boek is er een waarvan je altijd hoort, dat ben ik aan het herlezen, en nooit, dat ben ik aan het lezen. Ik vertaal uit mijn hoofd, want ik vind zijn ‘Pourquoi lire les classiques’ (vertaling van Perché leggere i classici, 1991) niet meer terug.
Een andere eigenschap van klassieke werken is, zegt hij, dat ook een eerste lectuur al een herlezen is. Inderdaad kun je bijvoorbeeld de fabels van Aesopus niet echt voor het eerst lezen, want die zijn ingebakken in onze cultuur en als kind kende je wellicht al de versie van de La Fontaine. Benno Barnard zei daarover iets dat wat mij betreft als een soort definitie van cultuur mag doorgaan: ‘…dat is allemaal door de kaken van de beschaving allang vermalen, en dat is allang verwerkt. Dus je weet al wat erin staat. Er staat niks in waarvan je zegt: Jezus, dat is nu helemaal verbazingwekkend nieuw!’ 
Met dat laatste zou Calvino het overigens niet eens zijn geweest: bij een klassiek werk is namelijk elke herlezing ook weer een eerste lectuur, zegt hij, want telkens weer springen er nieuwe dingen uit.

Maar de klassieken, of we nu aan Cervantes denken, of aan Shakespeare, Montaigne, Vondel, Poesjkin, Dante of Goethe …dat zijn in de eerste plaats toch de Grieken en Romeinen (als we de nog oudere Soemeriërs buiten beschouwing laten, want die kennen we nog niet zo lang). Rechtstreeks contact met die ouden en hun talen moet dan wel belangrijk zijn?

Helaas, wat iedereen kan zien is dat in vele landen de ministers van onderwijs zich inspannen om het Grieks en Latijn naar de achtergrond te verwijzen, en zo een poot van de Europese beschaving weg te zagen. Een begrip als ‘humaniora’ is namelijk te elitair, en onderwijs moet praktijkgericht zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld, en al ontkent ze het in alle toonaarden, probeert Mme Najat Vallaud-Belkacem dat.
Een van haar voorstellen is om een vak Enseignements pratiques interdisciplinaires (EPI) in te voeren, en zo de leerlingen – alle leerlingen vanzelfsprekend: geen elitarisme – vertrouwd te maken met enkele Griekse en Latijnse uitdrukkingen. Meer dan weetjes zullen dat niet worden, en in die praktische, interdisciplinaire lessen zouden volgens haar ook de vakken Grieks en Latijn een plekje moeten vinden. Haar critici spraken van ‘une sorte de bricolage, confus et rudimentaire’.

Wie zich tegen deze ontwikkelingen altijd fel heeft afgezet, al heeft zij gelukkig de consecratie ervan niet meer hoeven meemaken, is de grote Graeciste Jacqueline de Romilly (1913-2010). De Griekse regering verleende haar de nationaliteit van het land, en een pleintje in Athene draagt haar naam.
Toen de Romilly op hoge leeftijd werd gevraagd wat het belang was van het Grieks in het onderwijs, antwoordde zij (26'19"):

Enkel direct nuttige kennis opdoen die je zomaar kunt gebruiken eens de schoolpoort verlaten, daar gaat het niet om. Het gaat om het vormen van de geest. Zich een oordeel leren vormen, leren waarom men iets slecht begrepen heeft, leren een vergissing corrigeren. En tegelijk is het in veel bredere zin geestelijk vormend, want je krijgt voeling met wat mensen eerder al hebben gedacht. Denken doe je nooit alleen. Je vindt niet alles zelf uit, dat gaat niet. Je ziet signalen, richtpunten.
En daarstraks herinnerde ik aan die Griekse helden. Wel, dat zijn zulke bakens van een bepaald ideaal, een bepaald gevaar, een bepaalde noblesse. Nu, in het leven en op elk niveau van het bestaan, werkelijk op elk niveau, moet men duidelijk, ja zelfs rechttoe rechtaan kunnen uitdrukken wat men wil en waarom. Dus heeft men die vorming van de taal, van de geest, van het ideaal nodig, om het even wat men later doet. 



Ce n’est pas seulement l’acquisition d’un savoir immédiatement utile dont on peut profiter à la sortie. C’est la formation de l’esprit. Apprendre à juger, apprendre pourquoi on a mal compris ça, apprendre à corriger une erreur. Et en même temps une formation de l’esprit dans un sens beaucoup plus large, c’est-à-dire le contact avec ce que les gens ont pensé. On ne pense jamais tout seul. On n’invente pas tout, ce n’est pas possible. On a des signaux, des repères.
Et j’évoquais tout à l’heure ces héros grecs, mais ce sont les repères d’un certain idéal, d’un certain danger, d’une certaine noblesse. Et, pour vivre, à tous les niveaux de l’existence, à tous les niveaux vraiment, on a besoin de pouvoir s’exprimer clairement, voire, voire franchement, ce que l’on veut et pourquoi. Donc cette formation de la langue, de l’esprit, de l’idéal, on en a besoin, quoi qu’on fasse par la suite.



En zoals Jacqueline de Romilly het vroeg,
Brassens le dit franchement:

4 augustus 2016

Een interessante stem: Ingrid Riocreux


In Frankrijk gebeurt er meer dan bij ons, en soms ontdek je dan een auteur waar je nog nooit van gehoord had. Ingrid Riocreux is zo iemand. Zij haalde een doctorat ès lettres (moderne letteren) aan de Sorbonne, Paris-IV, en is daar vorser. En Riocreux schreef met scherpe pen een boek: La Langue des Médias – Destruction du langage et fabrication du consentement, waarin zij het journalistieke taalgebruik onder handen neemt.
Ze heeft behalve die pen, ook een scherpe tong, en ik zag een mooi gesprek met haar op de site Observatoire des Journalistes et de l'Information Médiatique. Hier een fragmentje daaruitmaar de naam van de interviewer heb ik niet gevonden. [noot van 5 augustus: vandaag lieten de mensen van OJIM me weten dat het hun voorzitter Claude Chollet was]
Bijzonder vermakelijk is verder ook een artikeltje van haar, waarin zij – maar dat moet u zelf maar bekijken – een journaliste van Le Nouvel Observateur, Anne Crignon, van antwoord dient en werkelijk elke zin van haar van alle vlees ontdoet. Een weerwoord van deze madame Crignon is mij niet bekend.



U spreekt van hakbijlwoorden [mots-couperets], bij wat u noemt de sceptici en de foben. Wat mag het verschil zijn tussen een foob en een scepticus?
Eigenlijk is het interessante niet zozeer dat men het onderscheid ziet tussen, neem een eurofoob en een euroscepticus – al is het waar, dat ik daarover een hele uiteenzetting houd – maar wel dat men precies ziet in welke mate dit valstrikwoorden zijn [mots piégés]. De uitdrukking is van Laurent Fidès. Schokwoorden [mots-chocs], met een uitdrukking van Olivier Reboul, maar in elk geval zijn het woorden die in de mond van journalisten helemaal geen plaats kunnen hebben, want het zijn begrippen die slecht definieerbaar zijn, en dat zeg niet ik, dat doet een rapport van de Nationale Adviescommissie voor de Mensenrechten die waarschuwt voor het gebruik ervan. Het is dus een woordgebruik van militanten. Het zijn polemische termen, die bijgevolg niet neutraal zijn.

Tussen de uitdrukkingen zitten er die… we weten allemaal dat taal nooit neutraal is, maar we zien ook het verschijnen van oxymorons, zo spreekt men bijvoorbeeld van 'gematigde extremisten'.

Ja, dat komt voor in een passage waar ik het meer specifiek heb over een uitdrukking die men in het nieuws vaak hoort: het woord 'islamist' namelijk. Het probleem met dat woord is dat het niet een term van specialisten is, het is geen theologenwoord noch een begrip onder islamologen. Het is een term van commentatoren, en dus in het bijzonder van journalisten. En zoals men het verschil tussen islam en islamisme heeft uitgedacht – wat op zich al heel moeilijk te bevatten valt – is men op dezelfde manier begonnen ons te onderhouden over gematigde islamisten, extremistische islamisten of radicale islamisten. Maar een islamist is al een radicale moslim, wat is dan een radicale islamist? Is dat dan een radicaal-radicale moslim? Kijk, u ziet dat men dan accepteert dat de media ons een verhaal voorhouden dat vol zit met totaal ongrijpbare concepten.

Is dat een manier om de werkelijkheid te camoufleren of te verdraaien?

Wel, in dat geval zou je bij de journalist slechte bedoelingen moeten veronderstellen, en ik meen dat in de meeste gevallen hij vooral goed op zijn woorden let omdat hij voortdurend leeft met de gedachte aan de receptie die deze zullen vinden. Dit maakt dat hij heel bang is dat, als hij de zaken op een bepaalde manier vertelt, het publiek dan dingen zal gaan denken… en hij is bang dat we op slechte gedachten konden komen. Hij zal ons dus op de een of andere manier manipuleren, maar altijd met een volkomen gerust geweten, en altijd voor de goede zaak.

Au fond leidt die schrik dat we op slechte gedachten zouden komen er dan toe dat hij niet langer de rol van berichtgever speelt, maar die van opvoeder?


Precies. Dat is wat ik noem het verglijden van de ethiek van het ware, naar een ethiek van het goede. Het komt hierop neer, dat het niet zijn prioriteit is ons feitelijke informatie te verschaffen, maar ons op een bepaalde manier informatie te geven zodat wij vooral geen, zo u wil, slechte interpretatie aan die feiten zouden geven. En dan zitten we volledig in een soort informatiebegrip dat ideologisch van aard is.

Laten we eens een concreet voorbeeld nemen, dat me zeer illustratief lijkt, en het gaat om een recent verhaal, want nog van september 2015 op France Inter meen ik. Het gaat om de kwestie van de vluchtelingen. 'Het fantasma van de terroristische infiltratie', dat was meen ik de eerste titel van de journaliste. En dan vervolgens kwam er mondjesmaat een semantische verschuiving, men wilde terugkrabbelen, maar niet helemaal. Kunt u ons deze zaak wat meer gedetailleerd uit de doeken doen?

Géraldine Hallot heeft inderdaad op de site van France Inter een artikel geplaatst met als titel «Réfugiés, le fantasme de l’infiltration terroriste», en in een inleidend kopje legt zij uit dat het nergens voor nodig is om bang te zijn voor terroristische infiltratie bij de vluchtelingen. Zij schrijft een zin van deze strekking: 'Moeten we vrezen voor terroristische infiltratie? Neen, en we vertellen u meteen waarom niet.' En dan bleek, na de aanslagen van 13 november, dat enkelen van de terroristen 'gebruik hadden gemaakt van de vluchtelingenroute', zoals men dat op de radio pudiek zegt. En vervolgens heeft de redactie van France Inter – met of zonder toestemming van Géraldine Hallot, dat vernemen we niet – de titel van het artikel gewijzigd en de inleidende kop geherformuleerd, en zo werd die 'Terroristen tussen de migranten?' mét vraagteken. Klaar. En dat 'moeten we vrezen voor terroristische infiltratie? Neen, en we vertellen u meteen waarom niet' is compleet verdwenen.
En het zijn dan de sites van de reïnformatiesfeer zoals men zegt, die dat artikel opgespit hebben. Maar wat er daarna gebeurde is heel interessant, namelijk de manier waarop de journalisten deze affaire compleet weer begraven hebben. Ik citeer de ochtenduitzending van France Info, waar Christian Estrosi de omwerking van het artikel aan de kaak stelde voor de microfoon van Fabienne Sintes, die hem onmiddellijk onderbreekt – we zitten op France Info welteverstaan – en hem zegt: 'Dat zult u met France Inter moeten uitklaren, en onze vrienden van France Inter blijven onze vrienden van France Inter.' Alleen, Géraldine Hallot zit ook op France Info, op zich al gênant genoeg, maar men ziet duidelijk dat er geen sprake van kan zijn een debat over journalistieke ethiek aan te gaan. De deontologische kant van deze zaak, die een debat had kunnen opleveren, voor schandaal had kunnen zorgen en terecht zelfs bij de andere journalisten …daarover mocht niet gepraat worden.

In zekere zin, en in dit duidelijke geval zeker, zou men kunnen spreken van journalisten als manipulators, maar zijn de journalisten niet de eersten die gemanipuleerd worden?


Zeker, en Pierre Bourdieu zei dat al. In het zeer interessante essay Sur la télévision zegt hij dat hoe meer je het verhaal van journalisten bestudeert, hoe meer je begint te beseffen dat als ze manipuleren, ze dat eerst en vooral doen omdat ze gemanipuleerd worden. En net daarom maak ik een duidelijk onderscheid tussen de manipulatie, en de oriëntatie van een discours. Wat ik zeg is dat het gevaarlijkste in hun discours niet de meest karikaturale voorbeelden zijn, al geef ik er veel in mijn boek. Het zijn de kleine details, en daar geef ik ook veel voorbeelden van. Men raakt bijvoorbeeld gewoon aan berichten van dit slag: 'Dit of dat land past nog de doodstraf toe'. Maar dat kleine 'nog' getuigt meteen van een ideologische oriëntatie, en zelfs van een zienswijze, van een geloof in een voorgeschreven richting in de geschiedenis.
Dus dit soort van kleine bijwoordjes mogen wij niet als neutraal aanvaarden, ziet u. Het zijn dus al die kleine details, formuleringen, manieren van zeggen, herformuleringen ook, waarop we altijd heel nauwkeurig moeten letten om ons niet te laten oriënteren door een oriënterend discours.

31 juli 2016

Misdadigheid en sociale achterstelling


Je leest het vaak in de krant, maar de idee dat slechteriken slecht zijn omdat de maatschappij hen nooit aanvaard heeft – en hen op school en later op de arbeidsmarkt discrimineert – die idee is ouder dan het geheugen van de meeste journalisten teruggaat. Maar we willen het niet te moeilijk maken: voor hen mag het volstaan De Vliegende Aap van 1948 eens grondig te lezen.


28 juli 2016

De fabricatie van een traditie


Van de Koran weten de meeste Vlamingen en Europeanen intussen wel het hunne, maar minder bekend is dat in de praktijk de Hadīth, de overlevering minstens even belangrijk is. Van de Koran weten we hoe die tot stand is gekomen: hij is nedergedaald in de profeet en die heeft hem laten opschrijven, want hijzelf was niet geletterd. Dat analfabetisme van hem is trouwens een mooie literaire vondst: andere boeken kon hij niet gelezen hebben en zodoende bleef zijn boodschap vrij van elke smet. Men had dus een volmaakte, eeuwige tekst ter beschikking.
Helaas moesten ook de samenleving en de veroverde gebieden van wetten voorzien worden, en die stonden niet allemaal in dat boek, daar is het leven te ingewikkeld voor. Wat gedaan? Что делать?, zoals later Lenin vroeg.

En nu vertaal ik een stukje uit La Loi de Dieu (Gallimard, 2005, pp.248-253) van de Arabist Rémi Brague. Brague schrijft ‘Islam’ met hoofdletter als hij de staat, het grondgebied, het regime bedoelt, en ‘islam’ als het om de religie gaat, zoals ook christendom en jodendom dan een kleine letter hebben.

De Islam moest dus op eigen kracht een volledige wetgeving ontwerpen. Dat was nauwelijks mogelijk. Alleen daarom al, dat algemeen gesproken ‘men geen wetboeken maakt, zij maken zichzelf’.*  Temeer gold dat in dit speciale geval, waar een kleine groep veroveraars zich meester had gemaakt van bevolkingsgroepen die veel ontwikkelder waren, en een gedifferentieerder maatschappelijk bestel hadden.
De Islam wendde nu een strategie aan die toeliet om, wat men nodig had zonder veel gêne elders vandaan te halen, en die dingen zo te maquilleren dat men ze kon laten doorgaan voor eigen vindingen. Ter legitimatie van alle praktijken die wenselijk werden geacht, moest de Islam deze dus aan Mohammed toeschrijven. Algemeen genomen schreef de primitieve islam overigens veel zaken die aan bestaande autoriteiten ontleend waren op zijn eigen rekening. Hij gaf ze een nieuwe betekenis, en ter legitimatie koppelde hij ze aan een nieuwe bron.
De functie van de Hadīth
De Hadīth had als functie een stand van zaken te legitimeren die vooraf al bestond. De praktijken die men echt kon zien – administratieve reguleringen van de Omayyaden, volkse gebruiken, overwegingen van de eerste juristen – werden in het verleden teruggeprojecteerd tot bij de profetische bron, “met behulp van verdichtsels die in de geschiedenis van de menselijke gedachte wellicht hun gelijke niet vinden”.** Over de tijdspannen die men daarbij moest overbruggen verschillen de auteurs van mening. Maar men mag rustig de paradox herhalen die Patricia Crone formuleerde: ‘Het zijn de juristen die bepalen wat de profeet heeft gezegd, en niet omgekeerd.’***
Het gekozen beginsel was de imitatie van Mohammed, en dit op basis van een Koranvers – U hebt in de gezant van Allah een schoon voorbeeld (uswa hasana).**** Het is moeilijk om een precieze betekenis te geven aan deze stereotiepe uitdrukking, die enkel hier en in een passage over Abraham gebruikt wordt. In elk geval steunde men op verhalen (hadīth) die verwezen naar uitspraken of gedragingen van Mohammed. Deze werden niet verzameld met een historiografische bedoeling – als getuigenissen die men in een biografie zou inlassen – maar als geautoriseerde rechtsbronnen. Hun legitimatiekracht verklaart de extreme zorg die men aan de dag legde om de authenticiteit ervan te bewijzen. De Hadīth verzamelt dus alle gebruiken die van kracht waren ten tijde van Mohammed, en in de veroverde gebieden. Sommige ervan zijn misschien van Romeinse oorsprong.***** Andere komen voort uit de joodse wet. Essentieel is echter dat deze origine, vreemd aan de openbaring, ontkend werd, en dat het islamitische recht verondersteld werd in zijn geheel van profetische oorsprong te zijn.
Een gevolg van dit alles is dat men in de loop van de tijd een tendens ziet om aan de Hadīth een steeds grotere autoriteit toe te kennen. Men kwam ertoe deze op gelijke voet met de Koran te plaatsen, en zelfs oordeelde men dat ze bepaalde wetsvoorschriften ervan kon herroepen. [...]
Tussen de averechtse effecten van deze methode, zul je een paradox aantreffen: de nadruk die men legde op de noodzaak van een onweerlegbare, opklimmende lijn die zeker tot de profeet teruggaat, maakte het des te lonender om apocriefe hadīths in omloop te brengen. Voorzorgshalve smeedden de falsarissen dus onberispelijke transmissieketens. De historische kritiek distilleert hieruit een wat ontmoedigende vuistregel: hoe ouder de aangehaalde bron, des te jonger is de traditie, en hoe perfecter de keten, des te groter het risico dat we met een verzonnen hadīth te maken hebben.

________
On ne fait pas les codes, ils se font: beroemd gezegde van Jean-Étienne-Marie Portalis (1746-1807), een van de redacteurs van de Code Civil.
** Joseph Schacht: Classicisme, traditionalisme et ankylose dans la loi religieuse de l’islam, 1977, Maisonneuve et Larose.
*** Patricia Crone: Roman, Provincial and Islamic law. The Origins of the Islamic Patronate, 1987, Cambridge University Press.
**** Drieëndertigste soera, 21.
***** Ignaz Goldziher (1850-1921). In: Gesammelte Schriften, 1970, Hildesheim, Olms.

25 juli 2016

Wat te verkiezen, de stad of het land?


Houellebecq heb ik op enkele korte stukken na niet gelezen, maar door zijn toedoen nam ik toch Joris-Karl Huysmans (1848-1907) bij de hand. Die halve Hollander schrijft op een manier die je eigen misantropie, mocht die aanwezig zijn, sterk kan relativeren.
Iedereen kent het klassieke gedicht van de echte Hollander Jakobus Cornelis Bloem, anderhalve generatie na Huysmans, waarin die de stad verheerlijkt – Amsterdam in zijn geval – en de natuur tussen haakjes plaatst. Hij schrijft het zo mooi dat het hier moet staan – en daarna komt Huysmans ook beter tot zijn recht:

       De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig in de Dapperstraat.


Bij Huysmans – in Certains, 1889 – lezen we over Parijs. Hij ziet niet veel goeds in die stad:

[...] cette honte du goût moderne, la rue; ces boulevards sur lesquels végètent des arbres orthopédiquement corsetés de fer et comprimés par les bandagistes des Ponts et Chaussées, dans des roues de fonte; ces chaussées secouées par d’énormes omnibus et par des voitures de réclame ignobles; ces trottoirs remplis d’une hideuse foule en quête d’argent, de femmes dégradées par les gésines, abêties par d’affreux négoces, d’hommes lisant des journaux infâmes ou songeant à des fornications et à des dols le long de boutiques d’où les épient pour les dépouiller, les forbans patentés des commerces et des banques […].

Hij, anders dan Bloem, moet de stad uit: fuyant dans les au-delà, planant dans le rêve, loin des excrémentielles idées, secrétées par tout un peuple.

Ongetwijfeld zal de natuur hem een troost zijn? bijvoorbeeld in een villa of landhuisje dicht bij een vaart of een bos? Of anders de kunst, een mooi natuurschilderij misschien?

La nature a fait son temps; elle a définitivement lassé, par la dégoûtante uniformité de ses paysages et de ses ciels […] quel monotone magasin de prairies et d’arbres, quelle banale agence de montagnes et de mers!

Zulke dingen lezen doet een mens deugd aan het hart. Chesterton had gelijk: ‘Unfortunately, good temper is sometimes more irritating than bad temper.’


22 juli 2016

Rémi Brague: naar de bronnen van het islamisme




Europa maakt de vergissing de islam te interpreteren naar het model van het christendom

Le Figaro, 20 juli 2016

Rémi Brague, filosoof, specialist van de middeleeuwse Arabische filosofie, lid van het Institut, legt uit wat de theologische bronnen zijn waaruit de Islamitische Staat put, en verwondert zich erover dat men de mohammedaanse religie door een christelijk prisma blijft bekijken.

Le Figaro: Voortgaand op zijn omgeving had Mohamed Lahouaiej Bouhel niet het profiel van een jihadist. De minister van Binnenlandse Zaken had het over een ‘bliksemradicalisering’. Wat denkt u over die opmerking?

Ik sta wat perplex. In het specifieke geval van de moordenaar van Nice hebben we nog geen volledige klaarheid over zijn motieven. En wat het tempo ook is waarin ze plaatsheeft, ‘radicalisering’ is geen duidelijk afgebakend begrip. Vooraf zouden we het eens moeten worden over de wortels waar het woord naar verwijst [de Franse woorden racine, en radicalisation gaan terug op het Latijnse radix, dat als eerste betekenis ‘wortel’ heeft, en verder volgens de Oxford Latin Dictionary: onderliggend gedeelte, basis, oorsprong, bron enzovoort.]. Waarom zou een terugkeer tot de bron naar misdaad moeten leiden?

De levensloop van de man (pretmaker, alcoholdrinker, salsadanser) spreekt juist voor een afstandelijkheid ten opzichte van de islam. Ook de mannen van 11 september hadden schijnbaar een ‘westerse’ levensstijl. Hoe is die schizofrenie te verklaren?

Vooreerst zouden we de verklaringen moeten natrekken van hen die over dit individu spreken. Nogal wat van de mensen die zich hebben laten ontploffen of gemoord hebben, worden ons voorgesteld als vriendelijke jongens, gedienstig en probleemloos, of zelfs, bij wijze van opperste compliment als voetbalspelers… Schizofrenie? Wellicht niet. Het is denkbaar dat het in praktijk brengen van de gewelddadige jihād voor sommigen een manier is om ‘vergiffenis te krijgen’ voor hun al te makkelijke aanpassing aan de westerse zeden, die als verdorven worden beschouwd, of nog, om zichzelf te bestraffen voor hun meegaandheid. Zichzelf opblazen gaat sneller dan een pijnlijk en lang proces van bekering aanvatten.

Daech [de Islamitische Staat] lijkt een geweldige aantrekkingskracht uit te oefenen op delinquenten. Hoe verloopt die overgang van delinquentie naar de heilige oorlog?

Die overgang verklaren, of hem enkel maar analyseren, zou psychologische en sociologische vaardigheden vereisen die ik niet bezit. Maar ik zal nader ingaan op dat begrip ‘heilige oorlog’. Nogal wat moslims vandaag willen die uitdrukking graag vermijden, en enkel de Arabische term jihād gebruiken, soms begrepen als een puur geestelijke oefening, als een gevecht met de eigen passies. Je treft hem nochtans heel vaak aan in een zeer concrete betekenis, bijvoorbeeld in juridische handleidingen (fikh) [plichtenleer; de jurisprudentie van de sharia], waar het hoofdstuk met als titel ‘jihād’ over heel feitelijke vijandelijkheden handelt. Daar legt men uit dat het om een zogenaamde verplichting ‘ten overvloede’ gaat: ze rust niet op alle moslims, en om aan de plicht tegemoet te komen volstaat het dat een bepaald aantal zich daarop toelegt. Het gaat dan over voorafgaande sommaties, men stelt zich de vraag of het toegestaan is de palmbomen van de tegenstander om te hakken of hem te bombarderen, en of men daartoe de vrouwen en kinderen moet doden die hij als schild gebruikt. Er wordt uitgelegd wat men met gevangenen aan moet, hoe de buit te verdelen enzovoort. In de mystieke betekenis gebruikt men trouwens eerder de andere term met dezelfde vorm en van dezelfde wortel, te weten mujâhada.
In elk geval loont het de moeite om stil te staan bij de paradox die besloten ligt in het samengaan van de woorden “heilige oorlog”. Daarin zit een kostbare boodschap vervat: de islam heeft op de andere levende religies dit immense voordeel, dat hij toelaat om in eenzelfde model het beste en het slechtste op één lijn te plaatsen, de laagste instincten en het meest heilige schepsel, moord en God. De kruisvaarders en inquisiteurs konden maar doen wat ze deden door zich in duizend bochten te wringen: de veroveringstochten van het Oude Testament, of de banvloeken tegen de ketters voor nog geldende aanbevelingen nemen enzovoort, en de Bergrede al helemaal omzeilen. Sommige verdwenen religies, zoals die van de Carthagers of de Azteken – en van de Galliërs! – namen die dubbelheid voor lief en bevalen mensenoffers. Voor de Islamitische Staat is het God die beveelt om jezelf op te offeren en daarbij zo veel mogelijk andere mensen te doden. Die islam laat ook toe om mensen die van hun leven niet veel hebben terechtgebracht te laten geloven dat alles de schuld van de anderen is, die slecht zijn, en die men dus uit de weg moet ruimen. Voelen dat men van ‘de partij van God’ is (Koran V,56) en strijd levert tegen “de slechtste dieren”, zijnde de ongelovigen (Koran VIII,22), kan voor een bepaalde opwinding zorgen. En overigens is elk schuldgevoel meteen van de baan, want het is God zelf die zijn vijanden doodt (Koran, VIII,17) [‘doch niet gij hebt hen gedood, maar God heeft hen gedood’ (vertaling Kramers, bewerkt en geannoteerd door Jaber en Jansen, Arbeiderspers 1992)].

Volgens Gilles Kepel is het doel van de Islamitische Staat een burgeroorlog op ons grondgebied te ontketenen, en zo alle moslims van Frankrijk achter hun vaandel te krijgen. Deelt u die mening?

Daar kan ik me nauwelijks met gezag over uitspreken, maar het lijkt me heel goed mogelijk. Als dat het geval zou zijn, dan staan we voor een geactualiseerde versie van de tactiek die in de jaren zeventig door extremistisch gauchistische groeperingen werd aangewend: een repressie uitlokken die door haar excessen een reactie van solidariteit zou meebrengen bij de rest. Bij de Rode Brigades en de Baader-Meinhof-groep is dat niet gelukt, terwijl die de hele bevolking van grote landen als Italië en Duitsland viseerden.
De Islamitische Staat heeft misschien wat meer kans op slagen, want de beoogde groep, de moslims die in Frankrijk leven vertoont al een zekere vorm van samenhang, eerder losjes overigens, waardoor er misschien makkelijker schot in de zaak komt. Die eenheid berust op meerdere factoren: het gevoel tot een minderheid te behoren die schouder aan schouder moet staan, of nog dat men zich vaak heeft moeten tevredenstellen met baantjes die anderen niet wilden, en men dus onderaan de ladder staat, soms ook speelt een gedeeld herkomstland, dat men een gemeenschappelijke taal gebruikt, of heel simpel het feit dat men in dezelfde buurten woont, en tot slot natuurlijk de minder of meer uitgesproken beklemtoning van de religie.

Tal van politici en intellectuelen trekken een strikte scheidingslijn tussen de moslimreligie en de Islamitische Staat of al-Qaida, die zij zelfs als tegengesteld aan de islam zien. Daech zou met de islam dan niets te maken hebben?

De ‘moslimreligie’ is al een misleidende uitdrukking. Het mag duidelijk zijn dat als we de islam willen onderbrengen in een van de grote categorieën van de menselijke bezigheden, we hem beter kunnen klasseren onder de rubriek “religie” dan in de rubriek “tuinieren”. Maar die rubriek is erg ruim. En vooral: de Europeanen, van de vroomste kerkgangers tot de onverbeterlijke papenvreter, denken over religie allemaal en onbewust in christelijke termen. Zij reduceren religie dus tot wat ze zien bij de onderscheiden christelijke genootschappen: erediensten, gebed, eventueel ook vastenperiodes en bedevaarten. Wat daarbij niet onder te brengen is, valt volgens hen buiten de religie.
Maar voor de islam is religie essentieel de toepassing van de goddelijke wet. Omdat die dat beveelt, moet men bidden, vasten enzovoort. En ze eist ook de sluier, halalvoeding enzovoort. De Islamitische Staat beweert trouw te zijn aan het adjectief waarmee hij praalt. Met welk recht hen daar tegenspreken? Hun propagandisten beschouwen diegenen die wij ‘gematigd’ noemen als slappelingen, of zelfs verraders. Wie ben ik om brevetten van islamitische orthodoxie uit te delen? Voor mijn part zou ik zeggen dat, al valt de Islamitische Staat niet samen met heel de islam, en al is hij dus niet de islam, hij toch een islam onder andere is. Hij doet een poging om met de middelen van vandaag de praktijken nieuw leven in te blazen die de oudste biografieën aan Mohammed zelf toeschrijven, ‘het mooie voorbeeld’ (Koran, XXXIII,21). [‘Gods schoon voorbeeld’, vertaling Kramers]

Men gaat ervan uit dat het internet, meer nog dan de moskeeën, jongeren tot de jihād aanzet. Aan welke bron laven zich die internetsites?

Een gedetailleerd antwoord geven valt me moeilijk, want mijn bezoeken aan sites die de jihād voorstaan zijn weinig regelmatig. En die zijn van heel verschillende strekking. Algemeen gesproken, laat het internet de grootst mogelijke straffeloosheid toe. Beschut door het anonimaat, of liever het pseudonimaat, kan men het zich veroorloven wat dan ook te vertellen, te liegen, te lasteren, te beledigen, tot moord op te roepen. Dat geldt trouwens niet enkel voor jihadistische sites. Wat hen betreft, het valt ze in elk geval niet moeilijk om zich een imaginair paradijs op aarde te bouwen.

Vaak vergelijkt men de islam met de katholieke kerk, en dan benadrukt men dat de mohammedaanse religie een Vaticanum II moet doormaken. Slaat die parallel ergens op?

De vergelijking gaat me dunkt volkomen mank, en om tal van redenen. Om te beginnen is de katholieke kerk een organisatie met duidelijk gedefinieerde dogma’s, en een vrij heldere hiërarchie; ze heeft een catechismus en bisschoppen, waaronder deze van Rome, de paus. Het was een van hen, Johannes XXIII, die besloot een tweede concilie bijeen te roepen in het Vaticaan. Wie in de islam zou een soortgelijke oproep kunnen doen, en daarbij gehoor vinden en de genomen besluiten doen toepassen? Verder beoogde Vaticanum II een herbronning, voorbij de later aangekoekte ballast, min of meer in de geest van Franciscus van Assisi, die wilde terugkeren naar het Evangelie zonder de interpretaties die het verzwakken. Maar in de islam zit het slechtste aan het begin. De periode van Medina (622-632) is waar de mensen van de Islamitische Staat hun inspiratie halen. Ze idealiseren die, maar zonder weglating van de slachtpartijen, de moorden en de folteringen. De evangelies bevatten geen oproep tot geweld. De Koran en de Hadith, letterlijk gelezen wel…

Wat betekent ‘een Islam van de Verlichting’?

Men gebruikt die uitdrukking al een tijdje. Ik vraag me af of Malek Chebel haar niet als eerste lanceerde in zijn Manifest voor een Islam van de Verlichting, van 2004. Het spreekt dat wat hij daaronder verstaat een uitstekende gedachte zou zijn. Maar ik zal toch twee opmerkingen maken.
Aan de ene kant, kan men enkel met grote behoedzaamheid op zoek gaan naar de verwerkelijking van een dergelijke islam in het verleden. Als we het willen hebben over intellectuele of artistieke prestaties, geen probleem. Maar als het over ‘tolerantie’ gaat? Averroes? Hij sluit een filosofische redenering af met ‘en daarom is het een verplichting om de ketters te doden’ (Tahafut at-Tahafut, XVII, 17). Andalusië? Daarover kunnen we beter romanciers lezen dan historici…
Aan de andere kant is de Verlichting een van onze heilige koeien, en het zou geen kwaad kunnen om in ons eigen westerse verleden eens schoon schip te maken, en te zien dat de Verlichting ook heel wat schaduwzijden vertoont, alvorens we haar aanbieden aan de rest van de wereld, de islam inbegrepen…


16 juli 2016

Het belang van voet- respectievelijk eindnoten


In een van zijn boeken, “La Loi de Dieu” (Gallimard 2005), legt Rémi Brague, hier al vaker genoemd, uit wat een goddelijke wet is. De titel van het boek liet dit misschien al vermoeden. Zijn ondertitel is “Histoire philosophique d’une alliance”, en hij heeft het over de Egyptenaren, de Perzen, Grieken en Romeinen, over de Bijbel, over de Koran enzovoort.

Brague stelt de moderne, en godbetert misschien ongelovige lezer wel snel gerust, op pagina zestig al: “Je ferai certes intervenir les textes, mais en les prenant uniquement comme des documents historiques, à interroger pour les renseignements qu’ils peuvent nous fournir quant à leur rédaction.”
Na bladzijde 443 beginnen dan de indexen en noten en bij bladzijde 582 is alles achter de rug. Een indrukwekkend boek, het tweede van een trilogie.

Maar ik wilde het hebben over voet- en eindnoten. Hieronder, lezer, ziet u groen aangeduid (en wie klikt op de foto krijgt een beter beeld) mijn favoriete eindnoot in “La Loi de Dieu” :




12 juli 2016

Als de geschiedenis ergens heengaat, waarheen dan?


In mei dit jaar verscheen er een schitterend boek bij Éditions Salvator in Parijs: Où va l'Histoire?  Het is de vertaling van een gesprek met professor Rémi Brague, arabist die doceert in Parijs en München. Een vertaling uit het Italiaans (Dove va la storia? Dilemmi e speranze, La Scuola Brescia, 2015), want het gesprek ging in die taal. Er worden hem door Giulio Brotti, zelf filosoof, uitgever en journalist, vragen gesteld over vele onderwerpen, met als centrale thema, als ik het zo eenvoudig mag stellen: wat is moderniteit? Het vierde hoofdstuk heet trouwens « Les malentendus de la modernité ». 
De boeken van Brague (Europe, la voie Romaine; Sagesse du Monde enzovoort) zijn natuurlijk allemaal schitterend, en soms best moeilijk ook, maar dit is een wat makkelijker boek aangezien het een conversatie is.

Hier een vraag over de Arabische filosoof en rechter Ibn Rushd, die wij kennen als Averroes, en die door goedmenende onwetenden vaak wordt voorgesteld als een van de lichtende voorbeelden van de islamitische verdraagzaamheid, in het toen zo sprookjesachtige Andalusië. Maar hoe verspreid de onwetendheid ook is: geleerdheid haalt het soms toch.

Giulio Brotti : En référence aux lieux communs qui se sont renforcées au cours du temps, au point de se révéler quasi-invincibles : qui était vraiment l’Averroès de Cordoue ? un libre-penseur capable de préfigurer « les lointains arguments d’un Hume encore problématique », comme nous le lisons dans un célèbre récit de Borges ? Un promoteur de la tolérance religieuse – quasi un homme des Lumières –, tel que le cinéaste Youssef Chahine le montre dans son film de 1997, Le Destin ?
Rémi Brague : Averroès a eu un destin paradoxal. Il a été oublié dans son pays natal, l’Andalousie, à peu près dès sa mort en 1198. En revanche, son œuvre a eu une réception énorme au nord de la Méditerranée, aussi bien en hébreu dans les communautés juives, que dans la chrétienté latine. […] Chahine se moquait bien de l’Averroès de l’histoire, encore plus que Brecht du Galilée de l’histoire. […] Quant à Borges, il est amusant qu’il se soit trompé à cent quatre-vingt degrés sur ce sujet. Car le véritable précurseur du scepticisme de David Hume, ce n’est nullement Averroès, mais bien plutôt al-Ghazali, celui-là même contre lequel Averroès écrivit un gros livre entier pour défendre la philosophie que l’autre avait attaquée. C’est Ghazali qui a mis en doute la possibilité de démontrer qu’un phénomène soit la cause d’un autre. […] Toujours est-il qu’Averroès, dans ses travaux juridiques, emploie le mot jihād dans le sens qu’il a presque toujours eu, c’est-à-dire au sens d’une guerre tout à fait concrète, où l’on fait des sommations, où l’on capture des prisonniers, où l’on amasse et partage le butin. Et l’on rapporte qu’il aurait prêché ce même jihād dans des sermons au peuple. En tout cas, même dans ses œuvres philosophiques, telles que les commentaires sur la République de Platon et sur l’Ethique à Nicomaque d’Aristote, des passages le révèlent comme un philosophe pas spécialement tendre : il n’a aucune objection à faire contre l’élimination des handicapés. Il s’y montre, en même temps, un musulman aux vues tout à fait conformes à l’orthodoxie dont – ne l’oublions pas – il était, en grand cadi de Cordoue, le défenseur attitré. S’il dit que le jihād visant à éradiquer les adversaires de l’islam n’est pas toujours souhaitable, c’est lorsqu’il risque de n’être pas victorieux. Et c’est encore dans une œuvre spécifiquement philosophique, et justement écrite pour défendre la légitimité de la philosophie, qu’Averroès conclut un raisonnement par : « La négation et la mise en discussion des principes religieux met en danger l’existence même de l’homme ; c’est pourquoi il faut tuer les hérétiques. » Donc, quand on en fait un avocat de la « tolérance », je souris doucement…

(pp. 86-89)
o-o-o-o-o

Giulio Brotti: Om het over de gemeenplaatsen te hebben die mettertijd nog aan kracht hebben gewonnen, tot ze op den duur bijna onoverwinnelijk bleken: wie was nu Averroes van Cordoba echt? een vrijdenker die in staat was om een voorafschaduwing te bieden van ‘de toekomstige argumentatie van de nog steeds problematische Hume’, zoals we in een beroemd verhaal lezen bij Borges?*  Een voorvechter van de religieuze verdraagzaamheid – bijna een Verlichtingsmens – zoals de cineast Youssef Chahine hem in 1997 laat zien in zijn film Le Destin?
Rémi Brague: Het lot van Averroes was paradoxaal. In zijn geboorteland Andalusië werd hij vergeten, ongeveer onmiddellijk al na zijn dood in 1198. Ten noorden van de Middellandse Zee daarentegen kende zijn werk een enorme receptie, zowel in het Hebreeuws bij de Joodse gemeenschappen, als in de Latijnse christenheid. […]
Chahine heeft zich weinig gelegen laten liggen aan de historische Averroes, nog minder dan Brecht aan de historische Galilei. […]
Wat Borges betreft is het grappig dat hij zich in dit onderwerp honderdtachtig graden vergist. Want de ware voorloper van het scepticisme van David Hume is geenszins Averroes, maar veeleer al-Ghazali, dezelfde tegen wie Averroes een dik boek schreef, helemaal gewijd aan de verdediging van de filosofie die de ander juist had aangevallen.**  Het was al-Ghazali die het in twijfel trok of men kon bewijzen dat een bepaald fenomeen de oorzaak was van een ander. […]
Zoveel is zeker dat Averroes in zijn juridische schriften het woord jihād gebruikt in de betekenis die het omzeggens altijd heeft gehad, te weten in de betekenis van een helemaal concrete oorlog, waar men dwangbevelen geeft, waar men gevangenen maakt, waar men buit vergaart en verdeelt. En in verslagen staat dat hij diezelfde jihād ook zou gepredikt hebben voor het volk. Wat er ook van zij, zelfs in zijn filosofische werken, zoals de commentaren bij Plato’s Republiek, of de Ethica Nicomachea van Aristoteles, laten sommige passages hem kennen als een niet bijzonder zachtaardige filosoof: tegen het ombrengen van gehandicapten formuleert hij geen enkele tegenwerping. Tegelijk openbaart hij zich daar ook als moslim met opvattingen volkomen conform aan de orthodoxie, waarvan hij – we moeten dit niet vergeten – als de grote cadi*** van Cordoba de officiële behoeder was. Als hij zegt dat de jihād ter uitroeiing van de vijanden van de islam niet altijd wenselijk is, dan is dat wanneer die dreigt niet zegerijk af te lopen. En elders in een specifiek filosofisch werk, en nog wel geschreven ter verdediging van de geldigheid van de filosofie, besluit Averroes een gedachtegang met: ‘De verloochening en het ter discussie stellen van de religieuze beginselen brengt het bestaan zelf van de mens in gevaar; dat is de reden waarom men de ketters moet doden.’
Als men bijgevolg van hem een advocaat van de ‘tolerantie’ maakt, dan glimlach ik stilletjes…

________
La busca de Averroes (De zoektocht van Averroes): prefigurando las remotas razones de todavía problemático Hume.
** In 'Tahafut at-Tahafut', ‘Wartaal van de Verwarden’, bestreed hij Hamid al-Ghazali, die een ‘Tahafut al falasifa’, ‘Wartaal van de Filosofen’ had geschreven, met daarin vanzelfsprekend kritiek op de filosofie. De titels doen me denken aan ‘De armoede van de filosofie’, het antwoord dat Marx (in het Frans) schreef op Proudhons ‘Filosofie van de armoede’.
*** soort opperrechter.

23 juni 2016

Vandaag op Boulevard Voltaire


Ik vertaal een klein stukje uit een gesprek dat de journalist Nicolas Gauthier voor Boulevard Voltaire had met Alain de Benoist. Gelukkig voor ons heeft de Benoist het over toestanden die enkel in Frankrijk voorkomen. 

Het publiek wordt zich meer en meer bewust van de desinformatie. Maar het interpreteert die slecht. Op een paar professionele desinformanten na, die meestal tegen betaling nieuws verspreiden waarvan ze weten dat het vals is, is de grote meerderheid van de journalisten volkomen eerlijk. Die meerderheid meent wat ze zegt, want ze zit gevangen in wat ze zelf verspreidt. Journalisten zijn ervan overtuigd dat ze aan de kant van de waarheid staan, want zijzelf zijn slachtoffers van de overredingsstrategie die ze overnemen.
Enkel de meest oubollige rechterzijde gelooft nog dat journalisten gauchisten, communisten of vreselijke trotskisten zijn. De overgrote meerderheid van hen hangen de liberaal-libertaire Vulgaat aan, en dat is een mengsel van mensenrechtenideologie, op maat gemaakt antiracisme, simplistische progressiviteit, eerbied voor de markt en politieke correctheid. Alle mantra’s ervan nemen zij over, en unaniem veroordelen zij populisme, protectionisme, identiteit, soevereiniteit, overtuigd als ze allemaal zijn dat mensen overal gelijk zijn en dat hun toekomst erin bestaat zich te bekeren tot de grote wereldmarkt. Resultaat: terwijl in de meeste landen journalisten de eerste slachtoffers van de censuur zijn, zijn zij in Frankrijk de werktuigen ervan.

21 juni 2016

Een halve bekering


Joël De Ceulaer en Filip Dewinter hadden daarnet een debat op VTM, onder leiding van Jan De Meulemeester, en daaruit dit fragmentje:



Joël De Ceulaer: En wat nu gebeurt in de rest van Europa en in de Verenigde Staten, met Trump enzovoort, als je daarover leest nu, dan spreekt men inderdaad over Frankrijk en over Wilders en over Oostenrijk enzoverder, maar, ere wie ere toekomt – enfin, hoe akelig dat ook klinkt want ik vond dat bijzonder ongunstig natuurlijk, dat mag wel duidelijk zijn – maar Vlaams Blok was eerst hé, Vlaams Blok was vóór Pim Fortuyn en vóór Geert Wilders, en vóór Oostenrijk en FN…
Filip Dewinter: Dat is juist.
Joël De Ceulaer: …in Frankrijk. Dat is zo. Dus in feite, wat nu gebeurt in Europa, dat hebben wij in Vlaanderen al eens meegemaakt, en de partij zal opnieuw stijgen, dat maakt me niet bang. Waarom niet? Omdat ze vastzit in het cordon sanitaire, daarin zal blijven vastzitten, en de instellingen en de democratie robuust genoeg is gebleken om zo’n partij uit te zweten.

Opmerkelijk dat Joël De Ceulaer in de eerste minuten van het gesprek het cordon médiatique, waar hij en alle journalisten jarenlang bij hebben gezworen, resoluut afwees als zijnde contraproductief, schadelijk dus. Maar op het cordon sanitaire blijft hij rotsvast vertrouwen. Misschien gelooft hij het zelf wel – of toch half en half – van die robuuste instellingen en die stevige democratie, maar wat moeten we van dat "uitzweten" maken? In welke zin hebben zijn robuuste structuren een partij uitgezweet waarvan hijzelf zegt dat ze flink zal groeien, en de "invloedrijkste politicus van de voorbije dertig jaar" heeft voortgebracht?

20 juni 2016

Post hoc non est propter hoc


Onderstaande tekst is de vertaling van een artikel dat ik gepikt heb op de site van RTL. En ik weet het, verreweg de meeste Vlamingen hebben zo'n vertaling niet nodig, maar ik doe het toch maar.
Merkwaardig is de laatste zin, waar men een oorzakelijk verband suggereert zonder enig bewijs. Dat van die weerzin voor het Nederlands wisten we tenslotte al honderd jaar en meer.

Voor het RTL-magazine « C’est pas tous les jours dimanche » is Christophe Deborsu de straat opgetrokken in Charleroi, om aan jongeren* daar te vragen hoe ze over het Nederlands dachten. Hun antwoorden laten weinig twijfel bestaan.
Minder en minder Waalse leerlingen kiezen voor het Nederlands als eerste vreemde taal, terwijl in het secundair onderwijs in Vlaanderen Frans als eerste vreemde taal voor hen een verplichting is. Is het Nederlands op weg om in het zuiden van het land langzamerhand een dode taal te worden? In 2009-2010 kozen 49 procent van de jonge Walen nog voor het Nederlands. Maar sinds de opkomst van de N-VA maakt de taal van Bart De Wever een tuimeling, en opteren er nog maar 39 procent voor.
Voor de uitzending « C’est pas tous les jours dimanche » ging Christophe Deborsu jonge Karolingers opzoeken, en probeerde hun keuze te begrijpen.
“Het is niet mooi, het interesseert me niet”, “Het is minder hartelijk dan het Frans”, “Ik heb altijd gezegd dat het een barbarentaal was”, waren de antwoorden die enkelen hem gaven.
Anderen integendeel gaven er zich rekenschap van dat het onlogisch was dat de Vlamingen Frans konden spreken, terwijl zijzelf niet in staat zijn om Nederlands te spreken.
“Zij kunnen Frans spreken, en wij kunnen niet eens de moeite opbrengen om in hun taal een zin te vormen”, was de reactie van een jonge vrouw, die nog stelde dat de keuze voor het Nederlands een verplichting zou moeten zijn in de Waalse scholen.
In de loop van het programma onthulde Christophe Deborsu exclusieve cijfers, die aantonen dat de Walen minder Nederlands leren sinds de opkomst van de N-VA in 2010.
____________

* ik gebruik dit woord hier nog in een oude betekenis.
____________

Misschien is het te dom om er aandacht aan te besteden, maar naar mijn smaak het mooiste straatinterviewtje van Deborsu leverde dit op:
C’est une langue germanique, du coup c’est, c’est, c’est d’origine barbare. Du coup c’est normal que ce soit ...qu’on dise que ce soit une langue pareille.
Het is een Germaanse taal, zodoende is het, is het, is het van oorsprong barbaars. Zodoende is het normaal dat het zo’n taal ...dat men zegt dat het zo’n taal is.



Walen verkiezen – áls ze al een vreemde taal leren – het Engels boven het Nederlands hoorden we nog. Wellicht is volgens de jonge dwaas hierboven (al kan hij toch de subjonctif correct hanteren) Engels geen Germaanse taal.
Overigens was Frans eerst ook een barbarentaal, waar Latijnen op neerkeken. Frans is namelijk de Romaanse taal waar het vaakst Germaanse, dus barbaarse stammen in voorkomen. Maar dat weten francofonen gelukkig niet.
Wat zijn ze vaak toch bekrompen en repliés sur eux-mêmes...

19 juni 2016

Een Franse wijsneus over het Mysterie van de Drievuldigheid


Yann Moix, schrijver en cineast, en destijds een ontdekking van BHL, die geregeld op radio en tv komt en dan gewoonlijk iets over Levinas zegt – of dat nu te pas komt of niet – zei gisteren niets over Levinas, maar wist ter vervanging toch een vraag te stellen die in haar pedanterie lachwekkend was. De man die hij ondervroeg was een van de (voorlopig) dertien of veertien kandidaat-kandidaten voor het Franse presidentschap die zichzelf bij centrumrechts al in stelling hebben gebracht. En die man had het bestaan om niet te houden van le mariage pour tous, en om vragen te stellen bij draagmoederschap en dergelijke. De altijd wat huilerige en anderzijds pretentieuze Yann Moix vond daarom dat hij zijn slachtoffer een lesje theologie moest geven... er kwam applaus van het zoals altijd zorgvuldig gescreende studiopubliek.




Henri Guaino: J’ai pas de …je ne mène pas un combat contre des homosexuels. Ça, jamais de ma vie je n’ai eu cette intention. Euh, je ne mène pas un combat pour la morale ‘pure’, je distingue ça de mes combats politiques et personnels, de mes convictions religieuses. Voilà, simplement, je pense que ça nous entraîne vers quelque chose dont je ne veux pas. C’est comme les gens qui m’expliquent que les progrès de la génétique c’est formidable, ce qui est vrai, mais qui ne veulent absolument mettre aucune barrière et aucune règle aux folies qu’on peut commettre avec l’eugénisme génétique. Bien, c’est vrai que c’est formidable, mais en même temps ça me pose des problèmes, et je pense qu’il faut les gérer.
Léa Salamé: C’est un sujet qui vous met mal à l’aise?
Henri Guaino:  Quoi?
Léa Salamé: Cette idée du mariage d’homosexuels, cette homosexualité et tout ça.
Henri Guaino: Ce n’est pas cela qui me met mal à l’aise. C’est la filiation. C’est que le mariage, depuis toujours c’est une institution sociale qui a un but – anthropologiquement en tout cas – un but: c’est de mettre de l’ordre dans la filiation. Et il n y a pas de sociétés qui puissent se passer d’un minimum de...
Yann Moix: Ou juste de faire en sorte que…
Léa Salamé: Non, mais ce n’est pas que ça…
Yann Moix: De faire en sorte qu’un héritage reste au sein d’une famille.
Henri Guaino: Comment?
Yann Moix: Non, mais les raisons historiques du mariage ne sont pas toujours excellentes. C’est aussi pour faire en sorte qu’un héritage reste à l’intérieur d’une même famille.
Henri Guaino: Oui, mais si l’institution a perduré aussi longtemps dans toutes les sociétés, depuis qu’il y a des sociétés […] depuis qu’il y a des sociétés qu’on appellerait aujourd’hui civilisées, dans l’idée que nous nous faisons de ce qui est un civilisation civilisée, organisée, le mariage existe. Et il existe quelques soient les religions, et quelques soient les cultures. Parce qu’il a une raison d’être fondamentale, c’est de mettre de l’ordre dans la filiation, parce que la société ne peut pas s’en passer. Après, il y a d’autres raisons qui s’y rajoutent. […] Euh, moi je trouve dramatique qu’on ait pas fait le contrat d’union civile, indépendamment du problème de…
Yann Moix: Ah, mais ça je vous l’accorde!
Henri Guaino: …parce que ça permettait de ne pas mélanger le mariage qui, encore une fois est une institution qui a un rapport direct avec la filiation, avec le problème de l’amour homosexuel, de la, de l’envie d’ailleurs de montrer cet amour, d’avoir des droits de…
Yann Moix: Vous êtes catholique, monsieur Guaino? Vous êtes catholique?
Henri Guaino: Oui je suis catholique, mais...
Yann Moix: C’est étrange quand même parce que le catholicisme repose intégralement sur le fait qu’un fils n’est pas le fils de son père.
Henri Guaino: Hahaha…
Yann Moix: C’est pas le fils biologique de son père. Et si on aurait été choqué de…
Henri Guaino: C’est parce que vous n’avez jamais essayé de comprendre le père [¿?] du Mystère de la Trinité.
Yann Moix: Si, justement. C’est justement l’abolition de la biologie. Et le Saint Esprit était précisément inventé pour qu’on ne se pose pas la question de la filiation, de la manière dont vous vous la posez.
Henri Guaino: Mais c’était le fils de Dieu…


[Applaudissements – on se demande pour qui]


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html