10 oktober 2017

Een vrome tekst, nooit Nederlands vertaald...


Cardinal de Retz, Mémoires
Édition présentée et annotée par Michel Pernot, (2003)
Texte établi par Marie-Thérèse Hipp (1984)
2011, Gallimard, Folio classique, pp. 57-60

Staat u mij alstublieft toe dat ik enkele gedachten wijd aan de aard van de menselijke geest. Ik geloof niet dat er op aarde een beter hart heeft bestaan dan dat van mijn vader, en ik mag wel zeggen dat zijn inborst die van de deugd zelve was. Nochtans hebben noch mijn duels, noch mijn galante avonturen hem belet om alles in het werk te stellen om mijn ziel, misschien de minst kerkelijk gezinde op de hele aardbol, voor de Kerk in te nemen. Dat was een gevolg van zijn voorliefde voor zijn oudste zoon, en van het uitzicht op het aartsbisdom Parijs dat nu al onder zijn huis viel.* Hijzelf zag dat niet zo, en voelde het niet zo aan. Ik zou zelfs zweren dat hij uit het diepste van zijn hart zou gezworen hebben dat hij hiervoor geen enkele andere beweegreden had dan wat hem werd ingefluisterd door de vrees voor de gevaren die de andere carrière** voor mijn zielenheil inhield: zozeer is het waar dat niets sterker aan illusies onderhevig is dan de vroomheid. Allerlei dwalingen glippen onder haar sluier en verschuilen zich daar; allerlei hersenschimmen bekrachtigt ze, en zelfs de beste intenties volstaan niet om aan die bezwaren te ontsnappen.
Kortom, na alles wat ik u daarnet vertelde: ik bleef geestelijke. Maar zonder een incident waarvan ik u nu verslag zal doen, zou dat heel zeker niet voor lang zijn geweest.
De oudste van ons huis, hertog de Retz, verbrak in die dagen op bevel van de Koning het huwelijkscontract dat enkele jaren daarvoor was verleend aan hertog Mercœur, aangaande zijn dochter. De dag daarop al zocht hij mijn vader op en bezorgde hem een aangename verrassing toen hij zei dat hij besloten had haar aan zijn neef te vergeven, om zo het huis verenigd te houden.
Omdat ik nu wist dat zij een zus had die over een jaarrente van meer dan tachtigduizend pond beschikte, dacht ik op dat moment meteen aan de dubbele alliantie. Niet dat ik hoopte dat men daarbij aan mij zou denken, het terrein kennende zoals ik het kende, en ik nam het besluit om mezelf dan maar te helpen.
En omdat ik het lichte vermoeden had dat mijn vader niet van plan was mij mee te nemen naar het huwelijksfeest, misschien met het oog op wat daarvan kon komen, deed ik alsof ik mijn roeping met een milder oog bekeek. Ik veinsde getroffen te zijn door alles wat men mij in dit verband zo vaak had voorgespiegeld, en ik vertolkte mijn personage zo goed dat men geloofde dat ik helemaal omgeslagen was. Mijn vader besloot mij mee te nemen naar Bretagne, en deed dat des te gemakkelijker omdat ik niet de minste wens daartoe te kennen had gegeven.



We ontmoetten Mlle de Retz in Beaupréau, in Anjou. De oudste bekeek ik alsof het mijn zuster was; ik nam in de eerste plaats Mlle de Scépeaux (zo noemde men de jongste) in overweging als maîtresse. Ik vond haar zeer mooi, met de meest schitterende teint ter wereld, lelies en rozen in overvloed*** en aanbiddelijke ogen; een zeer mooie mond, iets te weinig taille, wat niet zo opviel en bovendien flink afgedekt was door het uitzicht op tachtig duizend pond aan renten, het vooruitzicht op het hertogdom Beaupréau, en door duizend droombeelden die ik me op deze basis voorstelde, en die wel reëel waren.
Ik wist mijn bedoelingen in het begin zeer goed te verbergen; ik had de gehele reis de devote ziel gespeeld en ging daarmee door tijdens het verblijf. Nochtans smachtte ik in het bijzijn van de schone; zij merkte dat; ik sprak dan, ze luisterde naar me, maar nam een wat strenge houding aan. Omdat ik gemerkt had dat zij extreem gesteld was op een oude kamerjuffer, zuster van een van de monniken van Buzay,**** liet ik niets onverlet om deze voor mij in te nemen, en ik slaagde daarin door middel van honderd pistolen, en door immense beloftes die ik haar deed. Ze wist haar meesteres in te prenten dat men aan niets anders dacht dan haar tot non te maken, en van mijn kant vertelde ik haar dat men aan niets anders dacht dan mij monnik te maken.
Zij haatte haar zuster vreselijk omdat haar vader die veel liever zag, en ik moest van mijn broer niet veel hebben om dezelfde reden. Die gelijkloop van onze lotsbestemmingen droeg veel bij tot onze band. Ik vergewiste me ervan dat hij wederzijds was, en besloot haar mee te nemen naar Holland. Niets was waarachtig gemakkelijker, want Machecoul, waar we vanuit Beaupréau naartoe waren gegaan, ligt amper een halve mijl*°° van de kust; maar voor die expeditie was geld nodig; en aangezien mijn reserves uitgeput waren door die gift van honderd pistolen, bezat ik geen duit meer.
Ik wist er toch voldoende te vinden, door mijn vader te verzekeren dat, aangezien het rentmeesterambt van mijn abdijen geacht werd met de grootste gestrengheid en naar de wet controle uit te oefenen, ik mij in geweten verplicht voelde de administratie ervan zelf op mij te nemen. Dat voorstel viel niet in goede aarde; maar men kon het ook niet afwijzen, omdat het zowel in de lijn der dingen lag, als omdat het hen op de een of andere manier liet denken dat ik tenminste mijn opbrengsten wilde veiligstellen, aangezien ik er de zorg voor wilde overnemen.
De dag daarop vertrok ik naar Buzay, dat maar vijf mijl van Machecoul ligt, om het pachtgeld op te halen.
Ik onderhandelde met een koopman in Nantes, Jucatières heette hij, die profiteerde van mijn overhaasting, en voor de vierduizend daalders contant die hij me gaf een zaak heeft gedaan die hem een fortuin heeft opgebracht. Ik dacht dat ik vier miljoen bezat. Ik stond op het punt mij van een van die Hollandse fluiten*°°° te verzekeren die in Retz altijd aan de kade liggen, toen er een ongeluk gebeurde dat al mijn maatregelen tenietdeed.
Mlle de Retz (want die naam had ze na het huwelijk van haar zuster aangenomen) had de mooiste ogen van de wereld; maar nooit waren ze mooier dan op de momenten dat ze wegstierven, en nooit heb ik er gezien aan welke het smachtende verlangen zoveel gratie verleende. Op een dag dat we bij een dame van de streek logeerden, op een mijl van Machecoul, en toen ze zich daar in de spiegel achter het bed**° stond te bekijken, liet ze alles zien wat de morbidezza**°° van de Italianen aan zachtheid, levendigheid en vertedering te bieden heeft. Maar het ongeluk wilde dat ze niet gemerkt had dat Palluau, die nadien maarschalk de Clérembault is geworden, die spiegel kon zien. Hij liet dat weten en aangezien hij zeer gehecht was aan Mme de Retz, met wie hij toen zij nog niet getrouwd was veel omgang had gehad, liet hij niet na aan haar getrouw verslag hiervan te doen, en mij verzekerde hij later zelfs dat wat hij gezien had geen origineel kon zijn. Mme de Retz, die haar zuster een dodelijke haat toedroeg, verwittigde nog dezelfde avond mijnheer haar vader van de zaak, en die liet niet na mijn vader hiervan op de hoogte te stellen.
De dag daarop was er post uit Parijs; men deed alsof men heel dringende brieven had gekregen, en we zegden de dames luchthartig en publiek adieu. Mijn vader nam mij mee naar Nantes om er te overnachten. Ik was, dat zult u begrijpen, zowel fel verrast als diep gekwetst. Ik wist niet waaraan ik de haast bij dat vertrek moest toeschrijven; mezelf kon ik geen enkele onvoorzichtigheid verwijten; ik had niet het minste vermoeden dat Palluau ook maar iets had kunnen zien. Ik begreep het wat beter in Orléans, waar mijn vader, beducht als hij was dat ik zou ontsnappen, wat ik voorbij Tours vergeefs ook enkele malen had geprobeerd, zich meester maakte van mijn koffertje waar mijn geld in zat. Door die manier van doen wist ik dat men mij doorzien had, en ik arriveerde in Parijs vervuld van een smart die u zich kunt voorstellen.
____
* Pierre de Gondi was toen kardinaal van Parijs, maar zijn gezondheid was slecht, zodat er aan opvolging moest worden gedacht. ‘…men dacht elke maand wel dat men met zekerheid mocht rekenen op de dood van mijn oom, die inderdaad heel zwak was.’
** Retz wilde een militaire carrière.
*** Teint de lis et de roses: vaste poëtische omschrijving voor een perfect blanke huid met kersroze tinten.
**** Benedictijnerabdij in het hertogdom Retz. Om de kerkelijke carrière wat aantrekkelijker voor hem te maken, had men onze auteur de opbrengst van twee abdijen toegezegd. Een ervan was Busay.
De hoofdstad van het hertogdom.
*°° Franse mijl (4,445 km).
*°°° Vrachtschepen, driemasters met een rondachtige romp (vandaar de naam), die door hun grootte goedkoop maritiem transport mogelijk maakten. De baai van Bourgneuf-en-Retz was het centrum van de zoutexport naar het noorden.
**° Achter een bed was er toen een 'ruelle', een ruimte die met een gordijn kon worden afgesloten.
**°° Het Franse woord ‘morbidesse’ bestond al, maar de cultuurtaal was toen Italiaans. Nog in de negentiende eeuw was deze term een topos. Bijvoorbeeld Heine gebruikt hem nog: ‘…matter Perlenglanz, vornehme Blässe, Morbidezza.’, matte parelglans, voorname bleekheid. Misschien werd de Italiaanse term voor het eerst gebruikt om de gratiën van Botticelli te beschrijven.

30 september 2017

Interne Keuken en beeldcitaten


In de Interne Keuken van Koen Fillet en Sven Speybrouck op Radio1 stond vandaag een tv-programma op het menu. De kunsthistorica Katharina Van Cauteren, die met groot succes al enkele Huts-tentoonstellingen verzorgde in Gent in het Caermersklooster, had het namelijk over The Game of Thrones, een feuilleton dat blijkbaar in een soort middeleeuwen speelt.
Meer iets voor jonge mensen begreep ik, en al is Sven nog lang niet zo oud als ik, ik hoorde hem toch graag zeggen dat hij van dat ding nog geen enkele aflevering had gezien.
De uitleg die we erover kregen was zeer interessant, en hoewel ik ook nu geen minuut van dat spel zal bekijken, toch hoorde ik met graagte dat er veel kunsthistorische verwijzingen in zitten. Beeldcitaten noemde Van Cauteren die verwijzingen. Carravaggio had een grote inbreng in The Game of Thrones, en ook Rembrandt, Bosch, Breugel, Rubens en Turner kwamen ter sprake.
Sven nam op een bepaald moment het woord “plagiaat” in de mond, maar na enige uitleg van de kunsthistorica, die zei dat die oude kerels elkaar ook naschilderden, nam hij dat woord direct terug. Heel mooi vond ik dat, want anders had ik hem moeten wijzen op deze tekst van Heinrich Heine:

Niets toch is idioter dan dit verwijt van plagiaat. In de kunst bestaat er geen zesde gebod, de dichter mag overal toeslaan waar hij materiaal voor zijn werk vindt, en zelfs volledige pilasters met uitgebeitelde kapitelen mag hij zich toe-eigenen, als tenminste de tempel die hij daarmee stut prachtig is. Goethe heeft dit zeer goed begrepen, en nog vóór hem Shakespeare zelfs. Niets is idioter dan het verlangen dat een dichter al zijn stof uit zichzelf dient te halen: dat zou dan originaliteit zijn. Ik herinner me een fabel waarin de spin met de bij spreekt, en haar verwijt dat zij het materiaal voor haar wassen raat, en voor de honing die ze daarin bereidt, uit duizend bloemen samenraapt: “Ik echter,” voegde ze er triomfantelijk aan toe “ik trek in eigengemaakte draad heel mijn artistieke weefsel uit mijzelf.”

De filoloog Ernst Elster plaatste hierbij een voetnoot: “Du sollst nicht stehlen” ist das siebente Gebot.

We mogen dus niet alles geloven wat Heine schreef, maar dat hij ook buiten de schilderkunst of de poëzie een felle tegenstander was van het begrip plagiaat moge verder hieruit blijken dat hij elders schreef: [...] es gibt kein Plagiat in der Philosophie.”


Über die französische Bühne, vertraute Briefe an August Lewald,
geschreven in mei 1837, in een dorp nabij Parijs. Zesde brief.
In: Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben,
Ernst Elster, 1893, vierter Band, S.527.
________

Post scriptum. Koen laat me op Twitter weten: 'Je kan niet geloven hoe vaak Sven Koen en Koen Sven genoemd wordt.' Maar ik laat het staan zoals het is: fake news dus. Koen likete die beslissing trouwens.



7 september 2017

Goede stijl als morele plicht


In het jaar 1991 kocht ik in Londen een boek van Robert Graves, de tweede druk van The Reader Over Your Shoulder, A Handbook for Writers of English Prose.* Ik kocht toen bij Londense expedities wel meer boeken van hem want ik was verzot op al zijn werk. Vandaag is Robert (von Ranke) Graves nog het meest bekend van I Claudius (1934), en het vervolg Claudius the God, want de BBC verfilmde die boeken meesterlijk, met Derek Jacobi als keizer Claudius.

Eerder al, onder meer met het autobiografische Goodbye to All That, over de oorlog van 1914-1918 had hij ook succes gehad – en nogal wat patriottische vijanden gemaakt – maar die Claudiusboeken verkochten als gek.
Zelf deed Graves er nogal afstandelijk over en noemde ze potboilers, commerciële broodschrijverij. Hij was een dichter namelijk. Klassiek vertaler ook, en een feilloze stilist.

Hoe belangrijk hij schrijfstijl vond, is te zien aan een citaat uit The Reader Over Your Shoulder:
Arnold Bennett in his Literary Taste pointed out that faults of style are largely faults of character. […] The writing of good English is thus a moral matter, as the Romans held that the writing of good Latin was.
[Stijlfouten getuigen meestal van een gebrekkige wezenstrek, en goed Engels schrijven is dus een kwestie van morele aard, zoals de Romeinen dat ook dachten van goed Latijn schrijven]

Dat boek heeft veel kwaad bloed gezet, misschien evenveel als Goodbye to All That. Graves begint met een theoretisch deel van 172 bladzijden, doorspekt met voorbeelden uit kranten, tijdschriften en boeken. Enkele titels van hoofdstukken zijn ‘The Peculiar Qualities of English’, ‘The Principles of Clear Statement’, en ‘The Graces of Prose’.

Maar dan neemt hij, met als leidraad de genoemde Principles, een aantal grote namen onder handen, onder meer T.S. Eliot, J.M. Keynes, J.B. Priestley, Bertrand Russell, H.G. Wells, Graham Greene, en citeert van elk van hen een alinea.
Dat deel van het boek heet: Part II. Examinations and Fair Copies. Na elk citaat komt de toetsing aan de principes, waarbij zin voor zin alle overtredingen worden opgesomd, en hij eindigt zijn bespreking telkens met a fair copy: de tekst zoals die had moeten luiden.

Een ideaal recept om vrienden te maken.

__________
* Ook vandaag nog te vinden, onder de titel: The Use and Abuse of the English Language (Paragon House, New York)

31 augustus 2017

Baudelaire stierf 150 jaar geleden


Charles Baudelaire stierf 150 jaar geleden, op 31 augustus 1867. Natuurlijk kennen we hem als dichter, en sommigen onder u zullen L’Albatros nog van buiten geleerd hebben… ses ailes de géant l'empêchent de marcher. Niet al zijn gedichten waren nochtans even geschikt voor schooljongens.
Maar zoals alle grote dichters was hij ook een groot prozaïst, en in zijn brieven een kwade klant. Twee jaar voor zijn dood schreef hij aan een literatuurcriticus:

‘Beste mijnheer, als ik de woede helemaal zou willen bekoelen die u in mij opwekt dan zou ik u op zijn minst vijftig vellen sturen en u bewijzen dat, in strijd met uw bewering, ons arme Frankrijk maar erg weinig dichters telt, en er niet één bezit die tegen Henri Heine op kan. Maar u houdt niet van waarachtigheid, u houdt niet van juiste verhoudingen, u houdt niet van rechtvaardigheid, u houdt niet van stijlcombinaties, u houdt niet van ritme, noch van metrum, noch van rijm; al die zaken vragen te veel inspanning om ertoe te komen. Slaap maar zoetjes in op uw oorkussen van gemeenplaatsen. […] En vergeleken bij de poëzie van Henri Heine, van Byron en Shakespeare, maken al uw geciteerde kleine Franse onbetamelijkheden het effect van een mondorgeltje of een spinetje vergeleken bij een machtig orkest. Van de fragmenten van Henri Heine die u citeert is er niet één dat niet oneindig superieur is aan al de herderszangen en kinderrijmen die u bewondert.’

Le Figaro had vandaag een mooi interview van Eugénie Bastié met Marie-Christine Natta, die een nieuwe biografie van Baudelaire heeft geschreven. Dit is een stukje eruit:

Marie-Christine Natta: Een aspect van zijn dandyisme is zijn politieke ontrouw. Baudelaire erkent dat hij geen overtuigingen heeft. Hij heeft er zelfs over gedacht om een essay te schrijven met als titel: Grandeur, ook zonder overtuigingen. Ik heb die erg mooie titel gebruikt voor mijn eigen essay daarover. Nochtans mag je niet denken dat het Baudelaire aan eerlijkheid ontbrak. Als hij zich in de revolutie van 1848 engageert, gelooft hij in het republikeinse en humanitaire ideaal, en klimt hij op de barricades. Maar hij gelooft er niet lang in. Zoals Gabriel Matzneff dat van Byron zei: een dandy kán ergens voor militeren, maar dan kort.
Na de revolutie van 1848, en vooral na de staatsgreep van 2 december 1851,* voelt Baudelaire zich ‘gedepolitiseerd’. Zijn lectuur van Joseph de Maistre maakt dat hij volkomen verwijderd raakt van revolutionaire utopieën. [...]
Baudelaire is onbetwistbaar een man van de «modernité». Hij heeft het woord niet zelf uitgevonden – Balzac en Gautier gebruikten het al voor hem – maar hij is wel de eerste die het begrip uitgediept heeft, en van ‘moderniteit’ een literaire en artistieke categorie gemaakt. Treffend is wel dat hij, man van de moderniteit, tegelijk een van de hevigste tegenstanders is geweest van zijn eigen periode, die hij als even barbaars beschouwt als de meest primitieve tijden. Daarom ook gelooft hij niet in de Vooruitgang: verre van de mens te verlichten en hem beter te maken, zegt hij, is die een vergissing, een “obscure en perfide lantaarn” [Gezelle is het hier met hem eens: die sprak van ‘de religie van ’t progrès.’]
In dit verband is de pers een uitstekend voorbeeld van zijn contradicties: hij kan ze niet missen, maar spreekt er voortdurend alle mogelijke kwaad van. Verwoed krantenlezer als hij is, stelt hij de mediocriteit ervan aan de kaak en vindt hij hun inhoud hartverscheurend. Een krant, zegt hij, is “een aaneenschakeling van verschrikkingen” waar je op elke regel “de afschuwelijkste tekenen van menselijke verdorvenheid ziet”.
Eugénie Bastié: Hoe staat hij dan tegenover de journalistiek?
Marie-Christine Natta: Baudelaire is niet enkel een krantenlezer, hij is ook journalist en heeft zoals wel meer schrijvers de pers nodig voor zijn levensonderhoud. Het is aanvankelijk ook in de pers dat de meeste van zijn gedichten en kritische teksten gepubliceerd worden. Maar met kranten- en tijdschriftendirecteurs heeft hij een bijzonder woelige verhouding, en noemt hen «canaille littéraire». Hij verwijt hen – niet zonder reden – dat ze hem willen corrigeren. Terwijl Baudelaire, dat extreem scrupuleuze genie, perfect weet wat hij schrijft. Dat kan zijn houding tegenover Alphonse de Calonne verklaren, de «ultra-rédacteur en chef», aan wie hij zeer laatdunkende lessen filologie geeft.
_________
* President Louis-Napoléon Bonaparte laat zich tegen de grondwet in herverkiezen, en wordt op 2 december 1852 keizer: Napoléon III.

27 augustus 2017

Barricaden opwerpen, 369 jaar geleden


In de Mémoires van Retz lezen we dat in Parijs, in de ochtenduren van 27 augustus 1648 vandaag 369 jaar geleden  ‘in minder dan twee uur tijd meer dan 1200 barricades werden opgeworpen.’
De eindnoten van Michel Pernot (2003, Folio classique, p. 1038) bevestigen dit, en dat kan nooit kwaad want de kardinaal durft feiten al eens naar zijn hand zetten:

"Op bijna alle kruispunten van Parijs stonden er trommels met kettingen eromheen gewonden, die men bij gevaar dwars over de straten spande. De ochtend van 27 augustus 1648 begonnen de burgers deze te spannen, niet enkel om zich tegen de soldaten van de koning te verdedigen, maar ook om zich tegen het gemene volkje van inbrekers en dagloners te beschermen, dat bij troebelen altijd klaarstaat om te plunderen. Vervolgens versterkten zij hun installaties met behulp van barricades, gemaakt van okshoofden [barriques, vaten van 200 à 250 liter] gevuld met grond, stenen, mest of om het even wat voor afval. Door de smalle straatjes, en het grote aantal barricades (men telde er 1260), werd het onmogelijk in Parijs nog te circuleren."

Wat we uit het betrouwbare relaas van Retz dus leren is dat het afsluiten van straten met zware blokken en kettingen – wat vandaag regel is bij feestelijkheden, wijkkermissen enzovoort, zie foto – ook toen al voorkwam, en met ongeveer gelijk gebleven technieken. Hun vijanden waren niet dezelfden, maar hun technieken verschilden nauwelijks van de onze. 

Nog dit: de Dikke van Dale geeft bij het Nederlandse ‘barricade’ een verkeerde uitleg: zelfstandig naamwoord; de (v) (1669) Frans, ontleend aan Italiaans barricata.

In Le Trésor informatique de la langue française vinden we dat het omgekeerd is gegaan: de hypothese van een directe ontlening aan het Italiaans moet verworpen worden (KOHLM., p. 31; SAR., p. 19), want deze taal kende “barricata” niet eerder dan in de XVIIIde eeuw. Het woordenboek Vocab. degli accademici della Crusca, 4e editie (Firenze 1729), zegt dat barricata aan het Frans werd ontleend.


23 augustus 2017

Kardinaal de Retz steekt de Catalanen, de Ieren, de Schotten en de Vlamingen een riem onder het hart


Kardinaal de Retz, die u intussen goed kent, legt ons in zijn Memoires uit dat revoluties heel plots kunnen uitbreken, maar nooit uit het niets komen. Een element kan bijvoorbeeld fiscale druk zijn, en geld dat men ziet verdwijnen in bodemloze putten. Hij geeft een voorbeeld van de vindingrijkheid van de fiscus in zijn tijd:

Émeri, de opperintendant op financiën, en wat mij betreft de meest verdorven geest van zijn eeuw, deed niets dan benamingen zoeken om dan nieuwe edicten te kunnen uitvaardigen.

Inderdaad, de fiscale vondsten van Michel Particelli, seigneur d’Emery (1596-1650) zetten toen veel kwaad bloed. Ze waren mede aanleiding voor de opstand van de Fronde, maar voor een revolutie moeten er andere elementen bijkomen, zoals een vrijheidsideaal of een nationale idee. Het is namelijk zo dat een volk, of zelfs een afzonderlijke klasse zoals de adel, niet makkelijk in opstand komt.
Daartoe moet de toestand eerst een culminatiepunt bereiken, een kookpunt, de maat moet vol zijn, het moet de spuigaten uitlopen, er moet iets voorvallen dat de deur dichtdoet. Maar eens de rapen gaar zijn kan het snel gaan. Retz legt dat beter uit:

De Zwitsers leken zodanig verstikt onder het gewicht van hun ketenen dat ze om zo te zeggen niet meer ademden, totdat de opstand van drie van hun machtige kantons tot de vorming van eedgenootschappen leidde. De Hollanders geloofden dat ze onder het juk van de hertog van Alva vastzaten, tot de prins van Oranje, door een lotsbestemming die gereserveerd is voor de grote genieën die vóór alle anderen het punt zien waar een mogelijkheid zich voordoet, zich een idee vormde van hun vrijheid en deze verwekte.
Dit zijn voorbeelden; ze spreken voor zich. Wat de lethargie veroorzaakt in verdrukte staten is de duur van het kwaad, die greep krijgt op het voorstellingsvermogen van de mensen en hen laat geloven dat het nooit nog zal eindigen. Zodra zij echter een gaatje zien om zich los te maken – wat zonder mankeren het geval zal zijn als er een zeker punt is bereikt – zijn zij zo verrast, zo blij en zo driftig dat ze op slag in het andere uiterste vervallen en een revolutie verre van onmogelijk, maar juist voor moeiteloos houden. Die instelling op zich kan ze soms al doen slagen.

19 augustus 2017

Nu zou het toch iets met de islam te maken hebben?


In alle eerlijkheid, na de eindeloze reeks moslimaanslagen hoor of zie je bijna geen journalist meer die beweert dat het niets met de islam te maken heeft. Ook hun kreet 'islamofoob!' begin je stilaan minder te horen, en zelfs geijkte termen als 'jongeren' lijken op de terugweg. 'Verward' lijkt nog een zeker journalistiek succes te kennen, maar ook op die omschrijving komt snel sleet.
Ze zien wellicht in dat hun oude vocabularium zijn beste tijd gehad heeft, en leren nu schoorvoetend meer specifieke woordjes gebruiken. Toch is het misschien nuttig voor hen die zich nog altijd voor de betere islamexegeten houden, om het interview hieronder eens te lezen. Het zal hen in elk geval geen kwaad doen.
“De samenhang tussen fundamentalisme, terreur en de uitgangsstellingen van de orthodoxe islamleer is volstrekt duidelijk”, zegt Kyai Haji Yahya Cholil Staquf, secretarisgeneraal van de grootste moslimvereniging van Indonesië, in een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung vandaag.

Speciaal de verhouding van moslims tot niet-moslims, zowel als de houding van moslims tot staat en recht, zijn problematisch en leiden tot segregatie en vijandschap. “Te veel moslims zien de beschaving, het vreedzame samenleven van mensen met verschillende religies, als iets dat bestreden moet worden”, zegt hij. De toenemende angst voor de islam in het Westen is volkomen begrijpelijk. En over die samenhang moet men klare taal spreken: “Het Westen moet ermee ophouden de vraagstellingen hierbij voor islamofoob te verklaren.”
“Wij moeten ertoe komen dat een interpretatie die de traditionele normen van de islamitische rechtsleer als absoluut ziet, als vals geldt. Religieuze waarden en de sociale realiteit moeten bij elkaar passen. En het moet glashelder zijn dat de wetten van het land voorrang hebben.”

Yahya Cholil Staquf stamt uit een familie van soennitische geleerden. Hij is secretarisgeneraal van de Opperste Raad van Nahdlatul Ulama, de grootste moslimvereniging in Indonesië, zijnde het land met de grootste moslimbevolking ter wereld. Nahdlatul Ulama geeft aan dat ze 50 miljoen leden tellen, en minstens deels beschouwen zij zich als gematigd. Kyai Haji Yahya Cholil Staquf behoort tot de spiritueel georiënteerde vleugel van de organisatie.

18 augustus 2017

Hoever kan blinde haat een wetenschapper drijven?


Paul Krugman schrijft in The New York Times een mooi artikeltje. Niet als gepensioneerde economist maar als opiniemaker. Je hebt dat overal, van die gepensioneerde economisten die hun professionele kunstjes niet meer vertonen en ter vervanging opinies beginnen te produceren.

Naast Trump komt Caligula er nog goed uit

Historici hebben Donald Trump vergeleken met Caligula, de wrede, corrupte Romeinse keizer die er genoegen in vond om anderen te vernederen, speciaal de elites van het Rijk. Maar nu we zeven maanden ver zijn in Trumps ambtstermijn, kunnen we zien dat dit een onbillijke vergelijking was.
Om één ding te noemen, voor zover wij weten stookte Caligula niet aan tot etnisch geweld in het Keizerrijk. [mooi dat Krugman dat zegt van ‘as far as we know’, al was ‘as far as I know iets duidelijker geweest want dat er geweld voorkwam is wel degelijk het geval, bijvoorbeeld in Jeruzalem, maar dat betrof een conflict rond de keizercultus, en al kwam de eis wel van Caligula, en waren het vanzelfsprekend joden die deze cultus weigerden, misschien mag je dat geweld toch niet etnisch noemen]. En nog iets, opnieuw voor zover wij weten: het bestuur in Rome bleef redelijk goed draaien, in weerwil van zijn capriolen. De gouverneurs van de provincies bleven de orde handhaven, het leger bleef de grenzen verdedigen, en economische crisissen waren er niet. En om te besluiten, toen zijn gedrag werkelijk ondraaglijk werd, deed de Romeinse elite datgene waartoe de partij die vandaag het Congres controleert onbekwaam lijkt om het zelfs maar in overweging te nemen: ze vonden een weg om zich van hem te ontdoen [to get rid of him].

Ik heb alvast de indruk dat Krugman in een onbewaakt ogenblik de militaire verdediging van grenzen een mooi ding vindt. Maar dit nog daargelaten, ook oproepen tot politieke moord lijkt voor onze economist geen probleem.
Caligula werd immers door zijn Pretoriaanse wacht vermoord, en nog wel op aanstoken van een populist, de tribuun Cassius Chaerea. De geschiedschrijver Suetonius zegt evenwel dat er twee versies van de moord bestaan en geeft die allebei zonder zich uit te spreken.

Ach, misschien gelooft Krugman ook voor waar dat Caligula zijn paard Incitatus tot consul heeft benoemd, niet wetende dat Caligula dat gezegd heeft, of zou hebben, om de senatoren duidelijk te maken dat alle macht bij hem lag en bij niemand anders.
En misschien heeft Krugman dus ook niet beseft dat hij opriep tot moord, en misschien, of zelfs wellicht omdat hij Suetonius niet kent …al vertaalde Robert Graves hem prachtig in 1957.

11 augustus 2017

Duits leent zich goed voor preciseringen


In een panelgesprek van de Zwitserse televisie kreeg de filosoof Norbert Bolz, professor aan de Technische Universität in Berlijn, van een tafelgenote te horen dat je toch niet kon volhouden dat de politieke correctheid te ver was doorgeschoten, aangezien je zoveel incorrecte en luide stemmen hoorde overal: een retorisch fiorituurtje dat je ook bij ons vaak hoort en leest.

Norbert Bolz: Aber der entscheidende Punkt ist doch folgender: wenn Sie darauf hinweisen daß es Leute gibt die politisch sehr Unkorrektes äußern, und damit auch ein Publikumserfolg haben, kann man das an einem Beispiel sehr gut festmachen, nämlich Sarrazin. Das war im Grunde, vor der Silvesternacht schon der erste große Knackpunkt.
Barbara Bleisch (SRF): Darf ich nur ganz kurz einbringen: Thilo Sarrazin der das Buch geschrieben hat Deutschland schafft sich ab, und danach Der [neue] Tugendterror, und gesagt hat er wurde niedergemacht, mundtot gemacht…
Norbert Bolz: Exakt, äh, mundtot gemacht, das zu behaupten wäre unsinnig, denn er hat ja einen Massenerfolg mit seinen Büchern bis zum heutigen Tag, die Leute rennen in die Bude ein wenn er irgendwo eine Vorlesung macht oder so was. Der entscheidende Punkt ist nur der: das ist kein Zeichen für Meinungsfreiheit, einfach deshalb weil Sarrazin ein Paria ist. Er ist eine nicht-Existenz, er ist jemand der in der Öffentlichkeit sogar mit Polizeischutz auftreten muss, und das scheint mir nicht der Ausdruck einer liberalen Kultur zu sein.



Norbert Bolz: Maar het beslissende punt is toch dit: als u erop wijst dat er mensen zijn die politiek zeer incorrecte dingen zeggen, en daar ook succes mee hebben bij het publiek, dan laat zich dat zeer goed aantonen met een voorbeeld, namelijk Sarrazin. Dat was, nog voor de Sylvesternacht [Keulen] eigenlijk het eerste grote breekpunt.
Barbara Bleisch (SRF): Mag ik even heel kort iets tussenwerpen: Thilo Sarrazin die het boek Deutschland schafft sich ab geschreven heeft en daarna Der [neue] Tugendterror, en die gezegd heeft dat hij afgemaakt werd, monddood gemaakt…
Norbert Bolz: Exact, heu, monddood gemaakt, dat beweren zou onzinnig zijn want met zijn boeken heeft hij tot de dag van vandaag nog massaal succes, en de mensen lopen de zaal plat als hij ergens een voordracht geeft of iets dergelijks. Alleen, het beslissende punt is dit: dat is geen teken van vrije meningsuiting, eenvoudig daarom al dat Sarrazin een paria is. Hij is een onbestaand wezen, hij is iemand die zelfs politiebescherming nodig heeft als hij in het openbaar optreedt, en dat lijkt mij geen kenmerk te zijn van een liberale cultuur.

Alles vertalen is me teveel gevraagd, maar in het gesprek kwam nog heel wat meer aan bod: spraakhygiëne en verboden woorden, microagressie, grote gevoeligheid bij veel mensen (snow flakes is de term nu), jacobinisme, tot en met Karl Kraus en de journalist die zich als præceptor Germaniæ ziet.
Met die eervolle naam (leraar van Duitsland) werden oorspronkelijk de abt Hrabanus Maurus Magnentius en later Philipp Melanchthon aangeduid, en weer later kregen anderen hem ook, zo bijvoorbeeld Dr. Siegbert Tarrasch. Terecht ook in zijn geval want hij schreef Das Schachspiel. Systematisches Lehrbuch für Anfänger und Geübte, maar het spreekt dat niet iedereen zich præceptor moet wanen.

9 augustus 2017

Over een vraag die al lang beantwoord is


Als ik ergens in een artikel het woord gender tegenkom, dan lees ik dat artikel niet uit. Nu moet ik maar hopen, lezer, dat u niet even star reageert en moedig verder zult lezen – aan het eind zult u voor uw soepelheid trouwens beloond worden met een mooi paragraafje uit de Memoires van Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz.

Wat een mens zich afvraagt als hij bijvoorbeeld weer iets over gendertoiletten ziet staan, en dat die wereldwijd in openbare gebouwen (waarom niet ook in privéwoonsten?) er verplicht zullen komen, met aangepaste niet-discriminerende bordjes enzovoort, wat een mens zich dan afvraagt is of er vandaag geen belangrijkere dingen aan de hand zijn, en waarom politici zo graag futiele en zelfs onbestaande problemen willen oplossen, liever dan moeilijke, en waarom kranten daar zo eindeloos en graag over schrijven.

Die vraag bestaat al heel lang, maar in de zeventiende eeuw werd ze door de kardinaal beantwoord:

Wat aan de maatregelen van ministers vaak iets nogal ondefinieerbaar kwalijks doet kleven, zelfs aan de meest noodzakelijke, is dat zij om deze te kunnen nemen zich bijna altijd genoopt zien om hindernissen te overstijgen, en zulke overwinningen zorgen steevast voor afgunst en haat. Als er zich nu een grote kwestie voordoet waarbij niets te overwinnen valt, omdat er niets te bevechten valt, wat maar zelden voorkomt, dan verleent die kwestie een pure, onschuldige, onversneden glans aan hun autoriteit, waardoor deze niet enkel gevestigd wordt, maar waardoor hen naderhand zelfs verdiensten worden aangerekend voor alles wat ze niet doen, bijna evenveel als voor wat ze doen.

7 augustus 2017

Welke politieke medestanders kun je best aankopen?


Vroeger was een politicus zijn eigen campagneleider,
en zelfs zijn eigen woordvoerder

Onder de auteurs die over praktische politiek geschreven hebben, is een van de grappigsten die ik tot nu las Jean-François Paul de Gondi, Cardinal de Retz. Wat grappigheid betreft kreeg hij in de eeuw na hem concurrentie van onder meer Ferdinando Galiani, maar in zijn eigen zeventiende eeuw laat hij Rochefoucauld achter zich, en voor mij zelfs nipt ook Baltasar Gracián.
Maar Retz is meen ik niet in het Nederlands vertaald, terwijl bijvoorbeeld Gracián, met dank aan wijlen Theo Kars uitgebreid ter beschikking is. De kardinaal heeft niet eens een Nederlandse wikipagina.
Retz was een geboren intrigant, een Frondeur, en al overdreef hij in zijn Memoires zijn eigen rol hierbij wel eens (hij had, zegt zijn vijand Rochefoucauld terecht, vaak meer aan zijn verbeelding te danken dan aan zijn nochtans indrukwekkende geheugen), hij was een scherpziende analist.

Hieronder legt hij uit wat zijn tactiek was om het Parijse volk achter zich te scharen, en zo een opstand een kans op slagen te geven. Vooraf nog: Retz wilde eigenlijk een militaire carrière, maar werd door zijn vader tot een kerkelijke loopbaan gedwongen, al deed hij er alles aan om dat onmogelijk te maken, door bijvoorbeeld vele duels te vechten en evenveel galante avonturen op te zoeken.

De graaf* had mij, ik weet niet meer onder welk voorwendsel, twaalfduizend ecu’s laten toekomen via Duneau, een van zijn secretarissen. Ik bracht die naar mijn tante Maignelais,** en vertelde haar dat het om een restitutie ging die mij door een van mijn vrienden op zijn sterfbed was toevertrouwd, met de uitdrukkelijke wens dat ikzelf in persoon deze som na zijn dood zou aanwenden ter leniging van de nood van armen die niet bedelden; en dat, aangezien ik op het evangelie gezworen had in eigen persoon die som te zullen verdelen, ik hier uiterst verveeld mee zat want ik kende zulke mensen niet; en dat ik haar smeekte daarvoor te willen zorgen.
Ze was in de wolken; ze zei me dat ze dat heel graag zou doen; maar dat zij er absoluut op stond dat ik er dan bij zou zijn, aangezien ik had beloofd die bedeling zelf te houden; dat ik aldus mijn woord getrouw gestand zou doen en mijzelf vertrouwd maken met de werken van liefdadigheid.
Dat was nu juist wat ik wilde, want op die manier zou ik me een naam kunnen maken onder al de behoeftigen van Parijs. Elke dag liet ik me door mijn tante als het ware meeslepen naar achterbuurten en zolderkamers. Bij haar thuis zag ik heel vaak mensen die goed gekleed gingen, soms zelfs bekend waren, en in het geheim om een aalmoes kwamen. De goede vrouw liet bijna nooit na hen te zeggen: “Bid God voor mijn neef; hij is het, die het de Heer heeft behaagd zich van hem te willen bedienen voor dit goede werk.”
Stelt u zich voor in wat voor positie dit me bracht bij die lui die, als het erom gaat het volk in beroering te brengen, onvergelijkelijk veel belangijker zijn dan alle anderen. De rijken doen enkel noodgedwongen mee; bedelaars zijn dan eerder schadelijk dan nuttig, want de vrees bestolen te worden maakt hen beducht. Wie het meeste kunnen bijdragen zijn die mensen die het in hun persoonlijke aangelegenheden moeilijk genoeg hebben om verandering te wensen in de publieke, en wier armoede hen toch niet tot publieke bedelarij brengt.
Bij dit soort mensen zocht ik dus naam te maken, een maand of drie-vier lang, met een bijzondere ijver, en geen kind zat er naast een haardvuur of ik gaf het privé altijd enkele spulletjes; ik kende Nanon en Babet. Alles ging gedekt onder de sluier van Mme de Maignelais, die nooit een ander leven had geleid. Ik speelde zelfs wat de devote ziel, en ging naar de conferenties van Saint-Lazare.***
___________



* Louis de Bourbon, graaf van Soissons (1604-1641); belangrijke tegenstander van Richelieu; versloeg het koninklijke leger in de slag van La Marfée, nabij Sedan, maar kwam vlak na afloop van die slag om het leven: hij had de gewoonte het vizier van zijn helm omhoog te duwen met de loop van zijn pistool, en moet in een ogenblik van onachtzaamheid het schot hebben doen afgaan.
** Marguerite-Claude de Gondi, zijn tante langs vaderskant, gehuwd met Florimond d’Halluin, markies van Piennes en Maignelais; stond bekend om haar vroomheid en weldadigheid.
*** De ouders van Retz hadden Vincent de Paul (ook Depaul; ?1581-1660) geld gegeven, en zo kon die in een voormalige leprozerie van de orde van Sint Lazarus een tehuis maken voor priesters die zich erop wilden toeleggen de boeren het evangelie te prediken. Retz woonde enkele van hun vormingslessen bij.

30 juli 2017

Zulke handleidingen lees ik graag


Zelf heb ik nooit een auto bestuurd, noch ooit een rijbewijs gewild, maar dat neemt niet weg dat ik een mooi boek over autorijden met plezier zal lezen, zoals ik ook over hengelen graag lees – The Compleat Angler van Izaak Walton bijvoorbeeld, dat in 1653 verscheen maar waar de auteur later nog vele verbeteringen in heeft aangebracht – al heb ik ook die mooie sport nooit beoefend.

Een boek dat ik enige tijd geleden ergens zag liggen was Besser fahren mit dem Volkswagen (1949, hier tweede druk 1951, 272 pagina's), van Arthur Westrup. Het leest vlotter dan een roman.

In 1951 was er nog geen sprake van sjoemelsoftware – er bestond eenvoudig nog geen software – en ook over prijsafspraken tussen de automobielfabrikanten hoorde je nooit iets, al waren die er misschien al wel.
Wel diende de autobestuurder toen nog over een aantal technische vaardigheden te beschikken, begrijp ik. [Prentjes worden groter als je erop klikt]

Westrup geeft nuttige tips aan de Volkswagenbezitter: waar hij zijn handen moet plaatsen op het stuurwiel, welke benzine hij moet nemen, hoe hij de olie moet verversen en welke olie hij dan moet gebruiken (niet te dik en niet te dun), hoe hij de banden kan beschermen tegen al te sterk zonlicht, hoe hij kan nagaan of de dichting van de cylinderkoppen nog in orde is, bij welk geluid van de motor hij moet schakelen enzovoort.



Nu eerst nog een liefdevolle wasbeurt voor de wagen (men wasse eerst het dak en vervolgens pas de flanken), en dan gaat het gezwind de Gotthard op!







Maar ook op zaken die niets met mechaniek te maken hebben en eerder van zedelijke aard zijn, wordt gewezen: men neme niet zomaar Hinz und Kunz (Heinrich en Konrad: om het even wie) mee als autostoppers!



Mit dem kümmerlichen Rest ihrer sommerlichen Bekleidung winkt diese Dame dem VW-Fahrer zu. Sicher gehört sie keiner Räuberbande an – aber dennoch sollten wir nicht wahllos Hinz und Kunz mitnehmen.

Volkswagen mag wat mij betreft nog veel sjoemelen, maar dat boekje van Westrup doe ik niet weg.


23 juli 2017

Royalty-watching in de zeventiende eeuw, deel 2


Kardinaal de Retz stond niet bekend als een adonis, maar hij was wel een schitterend schrijver. Dat laatste beseften de meesten van zijn tijdgenoten niet want zijn Memoires werden pas veertig jaar na zijn dood gepubliceerd. Wij evenwel weten dat al na één zin: Mme de Carignan disait un jour, devant la Reine, que j’étais fort laid, et c’était peut-être l’unique fois de sa vie où elle n’avait pas menti. Mme de Carignan zei eens in het bijzijn van de Koningin dat ik erg lelijk was, en dat was misschien de enige keer in haar leven dat ze niet gelogen heeft.

In het vierde boek van zijn memoires beschrijft de kardinaal ons nogmaals het karakter van Mademoiselle de Chevreuse – deze keer was hij misschien vergeten dat hij haar in het tweede boek al had voorgesteld. Zijn beschrijving is nu iets uitgebreider, maar volkomen in overeenstemming met wat we al wisten.

Mlle de Chevreuse bezat alleen het soort schoonheid waarop men uitgekeken raakt als het niet meer is dan dat. Geestig was zij enkel voor diegene die ze beminde. Maar aangezien ze nooit lang beminde, vond men ook niet lang dat ze geestig was. Ze ergerde zich aan haar minnaars zoals aan haar oude plunjes. Andere vrouwen raken die beu, zij verbrandde haar spullen, en haar dienstmeisjes hadden alle moeite van de wereld om een jurk te redden, of haar mutsjes, handschoenen, of een point de Venise. Ik geloof dat als ze haar minnaars in de fik had kunnen steken eens zij erop uitgekeken was, zij dat van ganser harte had gedaan. Mevrouw haar moeder, die na haar besluit om helemaal de kant van het Hof te kiezen haar tegen mij wilde opzetten, slaagde daar niet in, al had zij er wel voor gezorgd dat Mme de Guémené haar een brief van mijn hand te lezen gaf waarin ik mij met lichaam en ziel aan haar had geschonken, zoals de heksen zich aan de duivel overgeven. In het schandaal dat volgde tussen het huis de Chevreuse en mijzelf – toen de Kardinaal [Mazarin] weer zijn intrede deed in het Koninkrijk – sprong zij mij hartstochtelijk terzijde. Twee maanden later sloeg zij om, om niets en zonder te weten waarom. Zij vatte plots een passie op voor Charlotte, een heel mooi kamermeisje van haar dat voor alles te vinden was. Zij ging maar zes weken mee, want toen werd ze verliefd op de abbé Fouquet, en wel zo erg dat ze met hem getrouwd was als hij dat gewild had.

Dit alles vertelde ik enkel om duidelijk te maken dat Retz een betrouwbare getuige is, maar laten we nu verdergaan met het echte royalty-watchen.

Bijna alles wat hier staat is een gevolg van de gehechtheid aan Kardinaal Mazarin die de Koningin vertoonde, en om die reden lijkt het me dat ik u de aard van die gehechtheid moet uitleggen – misschien had ik dat al veel eerder moeten doen – en u zult er des te beter over kunnen oordelen als ik u hier vooraf enkele voorvallen uit haar eerste jaren uit de doeken doe, voorvallen die ik even duidelijk en betrouwbaar acht als diegene die ikzelf heb gezien, want ik heb ze van Mme de Chevreuse, haar enige ware confidente in haar jonge jaren. Zij heeft me vaak gezegd dat de Koningin geestelijk noch lichamelijk een Spaanse was; dat zij noch het temperament, noch de gloed van haar natie bezat; enkel de koketterie had zij ervan overgeërfd, maar dan wel in de hoogste mate; dat Monsieur de Bellegarde – oud, maar beschaafd en galant zoals dat de mode was aan het hof van Henri III – haar was bevallen, maar dat zij van hem gedegouteerd was geraakt omdat hij bij zijn afscheid van haar, toen hij het bevel nam van het leger in La Rochelle, eerst heel in het algemeen de wens had uitgesproken bij zijn vertrek te mogen hopen op een gunst van haar, en hij vervolgens zich ertoe had beperkt haar te verzoeken haar hand te willen leggen op het gevest van zijn degen; dat ze dat verzoek zo gek had gevonden dat ze zich daar nooit overheen had kunnen zetten; dat ze was ingegaan op de galante voorstellen van Monsieur de Montmorency, veel meer dan dat zij die man ook had bemind; dat de aversie die zij had voor de manieren van Kardinaal Richelieu – die in de liefde al even pedant was als een schappelijk man in alle andere kwesties – ervoor gezorgd had dat zij zijn liefdesblijken nooit had kunnen uitstaan; dat de enige man die zij passioneel had bemind de hertog van Buckingham was; dat zij hem op een nacht rendez-vous had gegeven in de petit jardin van het Louvre; dat zij, Mme de Chevreuse, toen alleen was met haar en dat ze, nadat ze zich wat had verwijderd een geluid had gehoord als van twee mensen die aan het vechten waren; dat toen zij nader was gekomen tot bij de Koningin, zij deze in grote ontsteltenis had aangetroffen met monsieur de Buckingham op zijn knieën voor haar; dat toen de Koningin zich in haar appartement terugtrok die avond ermee had volstaan haar te zeggen dat alle mannen brutale vlegels waren, en dat zij haar de volgende ochtend had opgedragen aan Monsieur de Buckingham te vragen of hij zich er wel goed van had vergewist dat zij niet het gevaar liep zwanger te raken; dat na dit avontuur zijzelf, Mme de Chevreuse, niet het geringste teken meer had gezien van ook maar de kleinste galante stap van de Koningin; dat zij bij haar wel een sterke toeneiging tot de Kardinaal [Mazarin] had opgemerkt; maar dat zij niet had weten te achterhalen hoever die toeneiging haar had gebracht; dat het anderzijds waar was dat zij kort daarop van het Hof was verwijderd, en niet de tijd had gehad voor een klaar inzicht, ook al zou er iets aan de hand zijn geweest; dat bij haar terugkeer in Frankrijk na het beleg van Parijs, de Koningin zich tegenover haar aanvankelijk zo gesloten had opgesteld dat het haar niet gelukt was om in de zaak verder door te dringen; dat nadat de zaken hun gewone beloop hadden teruggevonden, ze bij momenten toch bepaalde gedragingen bij haar had opgemerkt die veel weg hadden van die met Buckingham destijds; dat op andere momenten hun manier van omgaan maakte dat zij dacht te moeten oordelen dat er enkel een intieme geestelijke band tussen hen bestond; dat een van de belangrijkste aanwijzingen de manier was waarop de Kardinaal met haar omging: weinig galant en zelfs ruw. “Hetgeen evenwel,” voegde Mme de Chevreuse daaraan toe, “beantwoordt aan twee kanten van het karakter van de Koningin zoals ik haar ken. Buckingham zei me eertijds dat hij drie koninginnen had bemind, en dat hij zich bij alle drie verplicht had gezien hen rammel te geven; dat maakt dat ik hierover geen oordeel kan vormen.” Tot zover wat Mme de Chevreuse me vertelde. Maar ik kom nu terug op de draad van mijn verhaal.

19 juli 2017

De schaamteloze Dikke van Dale


De Dikke van Dale is samen met de hele familie van Dale op zoek naar vers geld en aangezien de nood blijkbaar hoog zit, zijn alle middelen goed. Oude trouwe betalende klanten van de firma worden voor het blok gezet, en de Dikke probeert hun zakken wat lichter te maken.
Eerlijk is dat natuurlijk niet, schaamteloos wel, maar wat wil je: “de tijden zijn veranderd”!
Dat heb je inderdaad met tijden: die veranderen. Ook de zeden doen dat, maar “technieken”, inzonderheid oplichtings- en chantagetechnieken veranderen gelukkig niet even snel.



18 juli 2017

Royalty watching in de zeventiende eeuw


Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz, leefde van 1613 tot 1679, maar pas in 1717 verschenen zijn Memoires. Retz had immers geen literaire pretenties, moeten we geloven, en in zijn tijd werd het beneden de waardigheid van een kardinaal geacht om zich met iets als literatuur bezig te houden. Dat neemt niet weg dat hij een begenadigd schrijver was, eerder dan een begenadigde deugdzame kardinaal.

Op een bepaald moment geeft Retz ons na elkaar een twintigtal portretten van tijdgenoten die in zijn verslag eerder al waren opgetreden, maar die hij aan de lezer nog niet formeel had gepresenteerd. Hij was dat eerst vergeten, zegt hij: een mooie literaire truc.

Hij is niet altijd even lovend voor zijn tijdgenoten. Over de hertog van Bouillon zegt hij bijvoorbeeld: Ik ben er niet zeker van dat men zijn verdiensten niet wat heeft overschat, door aan te nemen dat hij in staat was tot alle grote daden die hij nooit heeft gesteld.
Maar aangezien Retz een kardinaal was die zich liever bezighield met vrouwen dan met bijvoorbeeld kleine jongetjes, komt hij pas goed op dreef als hij vrouwenportretten schildert. Even goed als Rubens, al zijn zijn portretten zoals ik al zei soms weinig geflatteerd.

Hij begint met een Portrait de la Reine – Anna van Oostenrijk die regentes van Frankrijk was omdat Lodewijk de XIVde nog maar vijf was toen Lodewijk de XIIIde stierf:

De Koningin bezat, meer dan iemand die ik ooit heb gekend, het soort vernuft dat ze nodig had om niet voor gek door te gaan bij wie haar niet kende. Ze vertoonde meer bitsigheid dan hoogmoed, meer hoogmoed dan grandeur, meer maniertjes dan diepgang, meer spilzucht dan gulheid, meer gulheid dan eigenbelang, meer eigenbelang dan belangeloosheid, meer aanhankelijkheid dan passie, meer hardheid dan fierheid, meer geheugen voor beledigingen dan voor weldaden, meer vrome intenties dan vroomheid, meer koppigheid dan vastberadenheid, en meer onwetendheid dan alles wat ik hierboven noemde.

Even verder komt de Duchesse de Chevreuse aan de beurt: In de tijd dat ik haar kende, vertoonde Mme de Chevreuse niet eens de resten nog van enige schoonheid.

Haar dochter vergaat het nauwelijks beter: Mlle de Chevreuse bezat meer schoonheid dan charme en was van nature dwaas tot in het belachelijke. Passie gaf haar soms iets spits, en zelfs iets ernstigs en aangenaams, maar dan enkel voor diegene waar ze verliefd op was. Maar alras behandelde zij hen zoals haar nachtjaponnen: ze nam ze in bed als ze haar bevielen, en verbrandde ze twee dagen later uit pure afkeer.

Ik weet niet of kardinalen van tegenwoordig nog zulke mooie memoires zullen nalaten.

7 juli 2017

Een niet-gekraakte modelwoning!


Het zou onredelijk zijn om van enkele Romazigeunerfamilies te verwachten dat ze je leegstaande huis – dat hoe dan ook flink wat herstelwerken kon gebruiken – na hun tijdelijke intrek als een instapklare modelwoning zouden achterlaten. Akkoord, je kunt ze als ongenode gasten beschouwen en hun hulp liever missen, maar leegstand is in geen geval goed voor een huis.

Blijft natuurlijk dat bijvoorbeeld een schouwbrand vervelend kan zijn als hij door onvermogenden, en zeker door onverzekerden is aangericht.

Bij die Roma is zo’n ongeluk verbazingwekkend, want destijds in Bulgarije en Roemenië kwamen dergelijke dingen niet voor. Onder het socialistische bewind in die landen werden zij tewerkgesteld, op het land, in de fabriek, bij de stadsreiniging – zoals trouwens iedereen toen werk had, en onderbetaald en arm was. “Leefloon” en aanverwante begrippen waren onbekend, en inbraak of diefstal werden eenvoudig met inkerkering beteugeld. Die Roma hebben toentertijd dus wel goede manieren geleerd.

Bij een wandeling door het stadje Sozopol, aan de Zwarte Zee, zag ik een voorbeeld van hoe de overheid toen haar opvoedkundige taak opvatte (socialistische overheden beschouwen het ook vandaag nog als hun taak om de onderhorigen enig ethisch bewustzijn bij te brengen).
Op de foto ziet u een geëmailleerde plaquette, aangebracht op een poortje dat uitgeeft op een mooie, koele binnentuin: ОБРАЗЦОВ ХИГИЕНИЧЕН ДОМ. Eerst dacht ik nog dat hier misschien een gevaarlijke hond zat, maar mijn vriendin vertaalde anders: “Voorbeeld! Dit is een nette woning.”

Mensen die hun woning proper onderhielden, hun tuin verzorgden enzovoort, kregen van de Bulgaarse overheid zo’n plaquetje en mochten dat fier bevestigen op hun muur, voordeur, of zoals hier aan hun poortje. Die plaquetjes zie je niet vaak meer, er wordt tegenwoordig lacherig over gedaan, en de bewoners van dat huis zullen dus wel oude mensen zijn, wie weet zelfs oude communisten.

26 juni 2017

Laat de mensenwereld zich in cijfers vatten?


Renaud Camus is de man die de term «le grand remplacement» heeft bedacht, en zelfs als politieke doelstelling geduid. Het spreekt dat hij daarna niet meer aan bod kwam in de grote media. Hij werd zelfs vervolgd voor "racisme". Maar niets hielp: zijn «grand remplacement» werd op talloze plaatsen gebruikt ter aanduiding van de massa-immigratie, de gettovorming enzovoort. Tegen een term die blijkbaar tegemoetkomt aan een behoefte valt weinig te beginnen. Maar dat men de man zelf bleef negeren, vond Alain Finkielkraut niet serieus en hij nodigde hem uit in zijn programma Répliques, Daar had Camus een stevige tegenstander aan de demograaf Hervé Le Bras die met cijfers in de hand het met hem helemaal oneens was.
Ik vertaal een fragmentje, waarin Camus een ernstige filosofische twijfel uit:
Ik zou het debat willen opentrekken, en de notie "cijfer" zelf betwisten. Ik ben het grondig eens met de filosoof Olivier Rey [van huis uit wiskundige] die de onderstreept dat cijfers niet bij machte zijn rekenschap te geven van de [menselijke, sociale, beleefde] wereld. De laatste veertig jaar werden wij overspoeld door cijfers. De humane wetenschappen... ik vrees meer en meer dat die een doodlopend straatje zijn, een oxymoron. Er zit een tegenstelling in [de term zelf] en misschien maar gelukkig ook! Een mens zinkt aan alle kanten weg in de cijfers, en die cijfers zijn niet in staat gebleken een beeld te geven van wat er aan de hand is. Niet enkel heeft de sociologie de Franse en Europese bevolking niet gewaarschuwd voor de enorme gebeurtenis die eraan kwam – voor dat gigantische fenomeen dat ik de inwisseling van volk en cultuur noem – maar naarmate dit zich afspeelde heeft ze het ontkend, zij was het ontkenningsmechanisme bij uitstek.



Renaud Camus (10'56"): Alors, j’aurais tendance à élargir le débat si je puis dire, et à contester la notion de chiffre. Moi je suis en accord très profond avec le philosophe Olivier Rey qui souligne l’incapacité du chiffre à rendre compte du monde. Depuis quarante ans nous avons été submergés par les chiffres. Les sciences humaines… je crains de plus en plus que les sciences humaines ne soient une aporie, un oxymore. Il y a une contradi… et tant mieux peut-être! L’homme se dérobe de toutes parts aux chiffres, et les chiffres ont été incapables de rendre compte de ce qui survient. La sociologie, non seulement n’a pas averti la population française et la population européenne de la chose énorme qui se présentait – ce phénomène gigantesque, ce que j’appelle le changement de peuple et de civilisation – mais au fur et à mesure qu’il se déroulait, elle l’a nié, elle a été la dénégation par excellence.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html