9 september 2016

Spreekwoorden bevatten altijd een waarheid


Ἀπελλῆς, Appelles van Kos, was de grootste schilder van de oudheid. Hij stond erom bekend dat hij zo natuurgetrouw werkte dat de vogels aan zijn geschilderde bessentrossen kwamen pikken. Alexander de Grote liet zich uitsluitend door hem portretteren. Ook diens mooiste maîtresse mocht Appelles schilderen, en zoals dat kan gebeuren: hij werd verliefd op zijn onderwerp. Alexander nu toonde zich niet kinderachtig, en uit dankbaarheid voor alle mooie portretten schonk hij hem deze maîtresse.

Goed, maar op een dag werd Appelles toch terechtgewezen door een schoenmaker, die hem opmerkte dat er iets mis was met een sandaal op een van zijn schilderijen, er ontbrak een vetergaatje. Appelles corrigeerde dat meteen, maar nu werd de schoenmaker wat overmoedig, en begon ook opmerkingen te maken over andere details. Daar kreeg onze schilder het van op de heupen en – de Griekse woorden hebben we niet meer, maar volgens Plinius de Oudere heeft hij toen gezegd “ne supra crepidam sutor iudicaret” – een schoenmaker kan beter enkel over sandalen oordelen – en Plinius voegde nog toe dat deze vermaning spreekwoordelijk was geworden: quod et ipsum in proverbium. Inderdaad zeggen wij nu nog “schoenmaker blijf bij uw leest”.

Ik moest hieraan denken toen ik vanmorgen een artikeltje zag in Knack, dat over een schoenmaker ging die ook over veel dingen spreekt, Wouter Torfs namelijk.
Dat artikeltje was niet ondertekend, en terecht want het was zó beschamend, stuitend slecht geschreven, en daarbij zo serviel dat Torfs aan deze onbekende misschien geen maîtresse, maar toch een paar sandalen cadeau mag doen.

8 september 2016

De vreedzame samenleving destijds in Andalusië


De mythe van het mohammedaanse Spanje
1 september 2012
Een onderhoud met Serafín Fanjul

Met behulp van voortdurend herhaalde historische leugens dringt de politieke correctheid zich op. Een daarvan is de mythe van al-Andalus:[1] die van een vredevol, open en verdraagzaam moslimrijk. Het is een mooie ideologische constructie zonder veel verband met de werkelijkheid. Hieronder maken de hispanoloog Arnaud Imatz en de grote Spaanse Arabist Serafín Fanjul samen de balans op. Volgens deze laatste spreken de middeleeuwse teksten de hedendaagse lezing compleet tegen.

Serafín Fanjul werd in 1945 in Galicië geboren en is een van de meest prestigieuze Spaanse Arabisten. Deze gewezen directeur van het Spaanse Cultureel Centrum in Cairo, professor Arabische literatuur aan de Universidad Autónoma de Madrid, lid van de Koninklijke Academie voor Geschiedenis sinds 2011,[2] heeft zijn leven besteed aan de studie van de islam als religieus, sociologisch, economisch en politiek fenomeen. Hij schreef erudiete studies zoals Las canciones populares árabes en La literatura popular árabe, en vertaalde
Ibn Battuta en Al-Hamadani. Vooral bekend is hij voor de publicatie bij Siglo XXI – de uitgever die in een recent verleden nog emblematisch was voor de socialistische en marxistische denkwereld – van twee essentiële werken: al-Andalus contra España. La forja de un mito (Andalusië tegen Spanje. Het smeden van een mythe) en La químera de al-Andalus (Het drogbeeld van Andalusië). Deze twee boeken, die helaas nog niet in het Frans zijn vertaald, slaan het mythische beeld aan diggelen van een verfijnde, vreedzame en gecultiveerde Andalusische samenleving die door christelijke barbaren onderworpen werd, en tegelijk ook de niet minder denkbeeldige hersenschim van een Spaanse moslimwereld waarvan de invloed zich in het Spanje van de eenentwintigste eeuw nog zou laten gevoelen.
Om het werk af te maken heeft Serafín Fanjul onlangs een studie gepubliceerd over de fundamentele rol die de Europeanen hebben gespeeld bij de creatie van het mythische en stereotiepe beeld van een primitief, exotisch en mysterieus Spanje. Het heeft als titel Buscando a Carmen (Op zoek naar Carmen, Siglo XXI, 2012), een verrassende toespeling op de beroemde neoromantische heldin van Mérimée en Bizet.

Arnaud Imatz : U hebt boeken en vele artikels geschreven om de mythe te hekelen van Andalusië als ‘meest geavanceerde beschaving van de late middeleeuwen’, symbool staand voor het vreedzame en tolerante samengaan van de drie culturen, de islamitische, joodse en christelijke. Verliep het samenleven sereen en harmonieus tot aan de uitdrijving van de morisken,[3] of was het integendeel door confrontatie gekenmerkt? Moeten we spreken van een symbiose of van een antibiose?
Serafín Fanjul : Een historisch proces dat bijna acht eeuwen heeft beslagen kan men niet als een homogeen geheel bekijken. De maatschappij van al-Andalus in de achtste eeuw is niet die van de tiende eeuw, een tijd waarin de moslims in de meerderheid waren, de Arabische culturele hegemonie een feit was en het christendom sterk achteruitging. Het koninkrijk Granada dat twee en een halve eeuw heeft geduurd (1238-1492), was al evenmin identiek aan het Andalusië van de periode daarvoor. Het ging om een monoculturele samenleving, met één taal en één religie. Een verschrikkelijk intolerante samenleving, uit overlevingsinstinct, want tot aan de zee teruggedreven.
Symbiose en antibiose zijn twee begrippen die onder een idealistisch begrip van de geschiedenis vallen. De promotoren ervan (de filoloog Américo Castro en de mediëvist Claudio Sanchez Albornoz) zijn in wezen neoromantici.

AI : Op welke manier regeerden de moslims over het deel van Spanje dat in hun macht was?
SF : Er was geen permanente confrontatie, maar evenmin ongelimiteerde harmonie en tolerantie: alles hing af van concrete omstandigheden en vooral van het minder of meer overwegend aandeel moslims. Hoe hoger het percentage van deze laatsten, hoe minder tolerant de maatschappij was. De onderworpen gemeenschappen zagen als groep sommige rechten (natuurlijk niet alle) erkend. Een erkenning van groepsrechten, geen individuele rechten, want die zijn nooit op voet van gelijkheid met de moslims gekomen.

AI : Mochten joden en christenen vrijelijk hun cultus onderhouden?
SF : Zij beoefenden hun godsdienst binnen bepaalde restricties en in de grootst mogelijke discretie. Halfweg de negende eeuw was er een christenvervolging in Cordoba, met vele martelaars. De grote anti-joodse pogrom van Granada kwam er in 1066. Maar de situatie werd erger vanaf de twaalfde eeuw, onder de Almohaden.

AI : Had de Arabisch-mohammedaanse samenleving van het schiereiland ‘zich ontdaan van raciale vooroordelen’, zoals de Engelse historicus Arnold Toynbee nog schreef?
SF : Dat is ofwel een uitvindsel van Toynbee ofwel een foute interpretatie bij gebrek aan gegevens. Bernard Lewis en voor hem al Ignaz Goldziher, een van de vaders van het wetenschappelijke oriëntalisme, hebben met talrijke Arabische teksten uit die tijd aangetoond dat etnische criteria courant gebruikt werden; Arabieren van het noorden tegen die van het zuiden, Berbers tegen Arabieren, Arabieren tegen Slaven en tegen moslims van Spaanse origine (zij waren het talrijkst), en vanzelfsprekend allemaal samen tegen de zwarten …en omgekeerd.

AL : Veel Fransen verwarren al-Andalus met Andalusië; kunt u ons uitleggen waarin de twee begrippen verschillen, en zelfs elkaars tegengestelden zijn?
SF : Die verwarring is het werk van Franse reizigers en schrijvers van de negentiende eeuw, en ze is vervolgens herhaald door historici en op den duur namen arabisten en Spaanse historici ze voor hun rekening, in hun ijver om al-Andalus en het hedendaagse Spanje met meer gemak dicht bij elkaar te brengen. De dubbelzinnigheid berust natuurlijk op de fonetische gelijkenis, maar het Spaans maakt een onderscheid tussen ‘andalusi’ (wat afkomstig is uit, of eigen aan al-Andalus) en ‘andaluz’ (wat betrekking heeft op Andalusië als Spaanse regio).
In het Frans lost u de vraag op door enkel ‘andalous’ te gebruiken voor de twee concepten. In het Arabisch duidt 'al-Andalus' heel islamitisch Hispania aan (dus tot aan de Duero-rivier, de noordergrens in de tiende eeuw, ofwel enkel het koninkrijk Granada in de veertiende eeuw). De term Andalucia (Andalusië) wordt in het Spaans enkel gebruikt vanaf de dertiende eeuw. Dat als gevolg van de Castiliaanse verovering van de vallei van de Guadalquivir. Nadien en nog tot in 1833 (datum van de huidige verdeling in provincies), was Andalusië enkel nog het westelijk deel. Het oostelijke Andalusië, het koninkrijk Granada (Granada, Malaga en Almeria) vormde een politiek en administratief afzonderlijke eenheid, zoals de documenten van toen aantonen. Overigens staat in de provincie Almeria het ‘Andalusisch bewustzijn’ erg zwak, ook vandaag nog.

AI : In 1969 heeft Ignacio Olagüe, een paleontoloog die in zijn jeugd nog militant was geweest van de JONS (Juntas de Ofensiva Nacional-Sindicalista), in Frankrijk een boek gepubliceerd met de suggestieve titel: De Arabieren zijn Spanje nooit binnengevallen.[4] Hij hield vol dat de Spaans-Romeinse bevolking de Visigotische bewindvoerders verafschuwde, en de moslimaanwezigheid verkoos, en zelfs wenste. De verovering van 711 was volgens hem enkel een uitvindsel achteraf om de Reconquista te verrechtvaardigen. Zijn stelling, die in haar tijd zwaar bekritiseerd werd door de mediëvist Pierre Guichard, heeft nieuwe weerklank gevonden bij de moslims vandaag, en vooral bij de Spanjaarden die zich tot de islam bekeerd hebben. Hoe oordeelt u daarover?
SF : Voor Olagüe ging het om een proces van ‘osmose’ (dat hij zich inbeeldde maar niet bewees), een volkomen vrije adhesie van Hispania aan de islam, terwijl nog nooit één land zich op zo’n poëtische manier achter de islam heeft geschaard. Het is een absurde aanspraak die dichter bij de literaire fictie dan bij de geschiedenis staat. Hij trekt een enorme conclusie op basis van enkele echte feiten zoals de godsdienstige roerselen, de verdeeldheid in de Visigotische tijd, of nog het ontbreken van Arabische documenten uit de tijd van de verovering. De eerste Arabische kroniek die over het evenement handelt, is die van Ibn’Abd al-Hakam, en zij stamt inderdaad van anderhalve eeuw later. Maar nu heb ik net een boek gepubliceerd over de mozarabische[5] Kroniek van 754, en zowel in deze als in de kroniek van 741 (beide in het Latijn geschreven door christenen die in het islamkoninkrijk leefden) wordt er nauwkeurig verslag gedaan van de islamitische verovering en de allesbehalve vreedzame effecten daarvan.

AI : Een halve eeuw terug heeft Fernand Braudel uitgelegd dat Spanje in 1609 de morisken had verdreven, de laatste vertegenwoordigers van de moslimbevolking in Spanje, omdat het hier ging om een minderheid die niet te assimileren viel, die zich tegen elke vorm van integratie verzette, en waarvan de banden met de toenmalige vijanden bekend en bewezen waren. Meer recent heeft de historicus Philippe Conrad dat nog aangetoond in zijn Histoire de la Reconquista (1999). Deelt u die zienswijze?
SF : Absoluut! Braudel heeft dat met grote scherpzinnigheid opgemerkt: de verdrijving kwam er omdat assimilatie van de morisken een onmogelijkheid was. Hun verstandhouding met de Turkse en Berberse piraten is meer dan bewezen. Van hun kant bekeken was die trouwens normaal en logisch. Maar ze spanden ook samen met Engeland en het Frankrijk van Hendrik IV, dat toen een vijand van Spanje was. De morisken die zich in de Béarn hadden gevestigd onderhielden contacten met de hugenoten. Na zijn bekering tot het katholicisme, vroegen in 1602 de morisken Hendrik IV om hulp, en in ruil boden zij aan om in Spanje op te treden als een ‘vijfde kolonne’.[6] Meerdere Franse agenten drongen door tot in Valencia. Onder hen was Jean sieur de Panissault,[7] vermomd als koopman. Later, op 23 april 1605, werd Paschal de Saint Estève[8] gevangen genomen, en hij onthulde in detail de intriges die op touw werden gezet. Louis Cardaillac, de grote Franse specialist van de morisken, heeft duidelijk aangetoond dat de vrees van de Spanjaarden gegrond was.

AI : Een van de gemeenplaatsen van de moderne geschiedschrijving is dat het verval van Spanje te wijten was aan de uitdrijving van de joden en morisken. U integendeel schrijft dat de politiek-religieuze eenmaking heeft voorkomen dat het land wegzonk in gruwelijke interne conflicten zoals andere landen die kenden. Als agnost en voorstander van de lekenstaat, onderstreept u, en ik citeer u nu, dat Spanje ‘Europees territorium is… met ontelbare wortels in de Neolatijnse wereld, en gekenmerkt door een eeuwenoude predominantie van het christendom’. Is volgens u een relatief homogene cultuur een noodzakelijke voorwaarde voor een vreedzame samenleving?
SF : De uitdrijving van de joden had plaats in augustus 1492, en op elk gebied kwam de Spaanse ‘grote sprong voorwaarts’ pas daarna. Denken we aan de ontdekking van Amerika, de felle doorstoot in Italië, of nog aan de politieke en militaire hegemonie in Europa die anderhalve eeuw duurde, en aan de literaire Gouden Eeuw.
De morisken hadden in twee streken een bepaald economisch belang: Valencia en Aragon, vooral dan op het gebied van de tuinbouw – zie de werken van Henri Lapeyre of Julio Caro Baroja. Veeleer is het verval begonnen bij de ontvolking, door het lichten van troepen, en door emigratie en epidemieën, verhoging van de belastingen en de enorme militaire uitgaven in Europa. Multiculturalisme is een mooie utopie zonder enig verband met de realiteit: grotere gemeenschappen zullen altijd de neiging hebben om de kleinere te absorberen, en de weerstand van deze laatsten zorgt voor wrijvingen. De recente voorbeelden van Joegoslavië of Libanon zijn duidelijk genoeg, en de vlucht van één miljoen – van de anderhalf miljoen – christenen uit Irak na 2003 is dat niet minder. De religieuze leiders van al-Andalus hebben altijd de totale islamisering nagestreefd, en er waren massale uittochten van christenen naar het noorden, tot in de twaalfde eeuw, zoals die er daarna waren van de morisken naar Noord-Afrika.

AI : Is het waar dat ook koning Alfons X,[9] – die door de moderne progressisten gecanoniseerd is, want zij zien in hem het archetype van de verdraagzaamheid en de kampioen van het vreedzame samengaan van de drie culturen – de houding van de joden en mohammedanen van zijn tijd veroordeeld heeft?
SF : Het grote wetgevend compendium van Alfons X, Las Siete Partidas,[10] is veelzeggend wat betreft de toestand van onderwerping en ‘horigheid’ die de hunne was. Zij waren eigendom van de koning, en als dusdanig moest men hen respecteren. Dit wetgevend corpus geeft het soort restricties en straffen aan, waaraan zij onderhevig waren.

AI : Sinds enkele jaren is er een zekere belangstelling gekomen voor het thema van de aanwezigheid van gevluchte morisken in Amerika. Hebben zij een beduidende rol gespeeld bij het avontuur en de verovering van de Nieuwe Wereld?
SF : Neen! Hen was het verboden te emigreren naar die gebieden. Sommigen slaagden er toch in, maar hun aanwezigheid betekent maatschappelijk niet zoveel, aangezien het om extreem kleine aantallen gaat, verspreid dan nog, en ze hun gedrag verheimelijkten. Anderzijds was het veel logischer om naar Noord-Afrika te vluchten om zich van de Spaans-katholieke verdrukking te ontdoen. Dat deden ze dan ook, eerder dan zich aan een lange en gevaarlijke reis te wagen, en vervolgens toch onder Spaans gezag te blijven. Hieromtrent heb ik in de archieven van Spanje en Amerika die ik heb geraadpleegd tijdens mijn opzoekwerk, nooit ook maar enkele betekenisvolle gegevens gevonden.

AI : Men hoort wel zeggen dat de Spanjaarden erfgenamen zijn van de Arabisch-islamitische cultuur, die meer dan zeven eeuwen in Spanje aanwezig was. Sommigen gaan zelfs zover te beweren dat de Spanjaarden halve Arabieren zijn. Wat antwoordt u daarop?
SF : Dat is een literaire fantasie van de reizigers van de negentiende eeuw, die naderhand werd opgepikt door het politieke ‘Andalusisme’ dat eropuit was een exotische herkomst te vinden, verschillend van die van alle andere Spanjaarden. Zonder een op zich staande eigen taal, en zonder nationalistische lokale bourgeoisie, moesten zij wel ver in de geschiedenis teruggaan om de stichtingsmythen van de ‘Andalusische Natie’ hecht te maken. Dat is niet het geval in andere streken van Spanje.

AI : Dat er in het Spaans een woordenschat met Arabische wortels voorkomt, is dat geen zwaarwichtig argument voor de thesis van de Arabisch-islamitische erfenis? Wat is er ingebeeld en wat is er echt aan deze linguïstische invloed?
SF : In de fonetiek, de prosodie, de morfosyntaxis van het Spaans zit niets Arabisch. Niets! In de levende woordenschat resteren er nog 450 woorden die echt gebruikt worden, al zijn er ongeveer 950 etymonen, stamwoorden die met hun afgeleiden samen een totaal van 3000 woorden vormen, waar nog ongeveer 2000 plaatsnamen aan toegevoegd moeten worden. Dat is naar verhouding heel weinig, zeker in aanmerking genomen dat het gaat over een vocabularium dat verwijst naar middeleeuwse technieken – landbouw, wapens, bouwwerken – die intussen vervangen werden of flink op hun terugweg zijn. Ook bestaat er geen woordenschat van Arabische oorsprong met een spirituele of abstracte betekenis, wat zeer veelzeggend is. Maar de woordenschat is het meest vlottende en minst bepalende deel in het karakter van een taal.

AI : Op de terreinen van voeding, kledij, volksfeesten, muziek – meer bepaald de cante jondo flamenco – en topografie, toont u met een verpletterende eruditie aan dat een Arabisch-islamitische oorsprong marginaal is, en Latijns-Germaanse en christelijke verwantschappen absoluut de overhand hebben. Hoe bekijkt u de overvloed aan historische romans, met intriges die in het middeleeuwse Iberische schiereiland spelen, en die bulken van de historische fouten en de hispaniserende clichés?
SF : Die mode wordt aangemoedigd door de economische belangen van de uitgevers. Maar de televisieproducties zijn nog slechter.

AI : Is in het – al te vaak miskende – aandeel van Spanje in disciplines als de kosmografie, de aardrijkskunde, de geneeskunde, de exacte wetenschappen, de botanica, de linguïstiek en de filosofie, is daar de bijdrage van de Arabisch-mohammedaanse intellectuelen wezenlijk of bijkomstig?
SF : Het aandeel van de wetenschappers van al-Andalus was zeker belangrijk, vooral in het doorgeven van de kennis van de Perzen, Indiërs en van de Griekse oudheid, die langs verschillende wegen tot Europa zijn gekomen, waaronder die van al-Andalus.

AI : De mediëvist Sylvain Gougenheim heeft de thesis op losse schroeven gezet, volgens welke de mohammedaanse wereld in de middeleeuwen een fundamentele rol zou hebben gespeeld in de overdracht van de Griekse wetenschap en filosofie naar het westen. In zijn boek Aristote au Mont-Saint-Michel: les racines grecques de l’Europe chrétienne, heeft hij aangetoond dat het belang van de directe Latijnse vertalingen sterk onderschat is, wat hem de smaad heeft opgeleverd van de politiek correcte meestercensoren. Waar plaatst u zichzelf in dat debat?
SF : Dat boek van Gougenheim is voortreffelijk, goed gestructureerd, magnifiek gedocumenteerd, en precies dat heeft pijn gedaan. Aangezien hij met historische argumenten moeilijk tegen te spreken is, neemt men zijn toevlucht tot persoonlijke aanvallen. Een van ouds bekende methode! Hij geeft blijk van grote moed – vandaag is dat trouwens onontbeerlijk – door taboes en gesacraliseerde routine-oordelen ter discussie te stellen. Onderzoek en meningen moeten vrij zijn. Men mag ze niet onderwerpen aan de tirannie van het politiek correcte, een complex dat ons vanuit Amerikaanse universiteiten is komen aanwaaien en dat tot de vrije meningsuiting zelf verstikt. Dat doet toch de deur dicht!

AI : U hebt een opzienbarend artikel geschreven in een van de grote Madrileense kranten, met als titel: ‘Ik wens geen dhimmi te zijn’. Wat precies bedoelde u?
SF : Heel eenvoudig dat ik mijn kinderen of kleinkinderen niet wil zien leven zoals de christenen in het Cordoba van de negende eeuw leefden. Alhoewel, laat me dat zeggen, ik niet meen dat zoiets op een dag te gebeuren staat, want – met al hun gebreken – de Europese samenlevingen zullen dat niet toelaten.

AI : Is het niet zo dat vandaag de scholen in de Maghreb een bijna paradijselijke kijk op al-Andalus opdissen, en dat de Spaanse christenen als usurpators worden voorgesteld?
SF : Ja, zo is het! En in de schoolboeken in Tunesië gebeurt dat nog enigszins discreet, maar in die van Marokko gaat het er extremer aan toe, met een veel hevigere nationaal-chauvinistische dweepzucht. Heel de geschiedenis door heeft het Iberisch Schiereiland talloze invasies ondergaan, sommige gevolgd door een massieve acculturatie. De Arabisch-mohammedaanse was er een van, en de Reconquista – om de traditionele terminologie te gebruiken – was er een andere. Dit gezegd: sinds de dertiende eeuw maken Cordoba, Sevilla, Cadiz enzovoort deel uit van Spanje, en hun bevolking is 100 procent Spaans. Ze als usurpatoren afschilderen is gekheid.

AI : Wat zijn volgens u de factoren die de opgang van de islam bij het begin van de eenentwintigste eeuw verklaren?
SF : De grote demografische explosie, de controle over de petroleum en over enorme kapitalen op de financiële markten door enkele islamlanden – die juist niet democratisch zijn – de zelfvernietiging van het Europese imperialisme, dat aan zijn bestaan eigenhandig een eind heeft gemaakt, ook al heeft het na de Tweede Wereldoorlog druk ondervonden van de Verenigde Staten. Voegen we daaraan toe dat het Arabisch nationalisme en islamisme, dat logischerwijze expansie zoekt, grote openliggende plekken in beslag heeft genomen. Dat is geen waardeoordeel, maar eenvoudig een beschrijving.

AI : Is de gemeenschap van de moslims, de ‘oemma’ helemaal verdeeld of relatief eendrachtig?
SF : Als het over essentiële zaken gaat is de eendracht van de soennieten totaal, al zijn er vanwege de grote geografische spreiding culturele substraten en adstraten, of wat bijkomstige details aangaat varianten al naar de juridische scholen, de madahib.

AI : Bestaat er een gematigde islam en een radicale islam?
SF : Alles hangt af van wat je onder ‘gematigd’ verstaat. Als het betekent dat iemand in alle gemoedsrust toelaat dat zijn dochter met een christen of een atheïst trouwt, en hij het even natuurlijk vindt dat een andere moslim de islam vaarwel zegt, of als hij voor alle religies het recht verdedigt om waar dan ook op de planeet bekeringswerk te doen, dan hebben we te maken met een gematigde die zijn eigen overtuiging beleeft zonder de anderen te hinderen. En dat geldt voor de gelovigen van alle godsdiensten.

AI : In 2010-2011 hebben de grote westerse media – over het algemeen met enthousiasme – de ‘democratische revoluties van de Arabische Lente’ begroet. De beweging van de ‘indignado’s’, die jonge protesteerders die op de voornaamste pleinen van Spanje hun tenten opsloegen, beriep er zich expliciet op. Houdt de ‘Arabische Lente’ nieuwe perspectieven in voor de mohammedaanse wereld, en van de weeromstuit voor Europa?
SF : Die verontwaardigde jongelui – overigens niet altijd zo jong – hebben niet het minste idee van wat het is te leven in een moslimland. Diegenen die een politieke vorming hebben, zijn gewoon anarchisten en extreem-linkse communisten, maar de meerderheid van die ‘indignado’s’ zijn fils à papa’s die zonder echte doelstellingen revolutietje spelen. Ze gebruiken en misbruiken vage begrippen – rechtvaardigheid, liefde, vrede, solidariteit enzovoort – of volmaakt lege leuzen. Ze zijn zelfvoldaan want ze trappen open deuren in, maar wat hen ontbreekt zijn bérgen lectuur over de sociale en revolutionaire strijd in Europa, al vanaf de Franse Revolutie, tot aan de Russische, met en passant nog de Duitse van 1848. Als ze al politieke doelstellingen hebben, zelfs vage, dan staan ze lijnrecht tegenover het islamisme, dat de katalysator is geweest – dat wordt almaar duidelijker – van de volksopstanden die de journalisten welwillend met de naam ‘Arabische Lente’ hebben bedacht. De nieuwigheid voor de Arabische wereld is dat het islamisme sterker en sterker wordt. En dat is verontrustend.


Een ingekorte versie van dit onderhoud verscheen in de Nouvelle Revue d’Histoire nº 62, sept-oct. 2012.

_________

[1] al-Andalus en Andalusië zijn twee verschillende begrippen. Fanjul zal dat in het gesprek verduidelijken.
[2] Zijn redevoering bij intrede (22 april 2012) werd gepubliceerd door de Real Academia de la Historia, onder de titel: Al-Andalus, una imagen en la Historia (Madrid, 2012).
[3] Van het Spaanse ‘morisco’: Moren (Arabieren en Berbers) die na 1492 onder dwang of uit berekening waren overgegaan van de islam tot het christendom.
[4] Les Arabes n’ont jamais envahi l’Espagne (Flammarion 1969). In de Franse tekst zegt de vraagsteller verkeerdelijk: ‘Les musulmans n’ont jamais envahi l’Espagne’.
[5] Van, of betrekking hebbend op de christenen onder de moorse heerschappij.
[6] Term afkomstig uit de Spaanse Burgeroorlog: binnenlandse groepen die werken voor de vijand.
[7] Agent van Hendrik IV, door hem naar Spanje gestuurd om afspraken te maken met de morisken.
[8] Eveneens een Franse agent bij de morisken. Terechtgesteld in Valencia kort na zijn arrestatie.
[9] Alfons X (1221-1284), ‘Alfonso el Sabio’, de Wijze: koning van Castilië en León.
[10] De zevendelige Code’ van 1576.

3 september 2016

André Malraux in 1956: 'Note sur l'Islam'


In 1956 gaf André Malraux zijn mening te kennen over de islam, en hij leek toen de huidige problemen te voorzien die wij aan het islamisme te danken hebben.

De aard van een beschaving, is het resultaat van zaken die rond een religie zijn aangeslibd. Onze beschaving is niet meer in staat om een tempel of een grafmonument op te richten. Ze zal zich genoodzaakt zien een fundamentele waarde te vinden, en anders zal ze uiteenvallen.

Bij uitstek het fenomeen van onze tijd is de brutale opmars van de islam. Deze opkomst wordt door de meesten van onze tijdgenoten onderschat, maar zij is naar analogie vergelijkbaar met de aanvangsjaren van het communisme ten tijde van Lenin. De gevolgen van dit fenomeen zijn nog onvoorspelbaar. In de aanvangstijd van de marxistische revolutie dacht men deze stroming met halve oplossingen te kunnen indijken. Noch het christendom, noch de patroons- of arbeidersorganisaties hebben het antwoord gevonden. Zo is het ook vandaag: de westerse wereld lijkt nauwelijks klaar te zijn om het islamprobleem aan te pakken. In theorie lijkt de oplossing trouwens bijzonder moeilijk te zijn. Misschien dat een praktische oplossing wel mogelijk zou zijn als ze, om ons nu te beperken tot de Franse kant van de zaak, door een echte staatsman werd uitgedacht en aangepakt. Zoals het probleem er nu voorstaat is men geneigd te geloven dat er zich achtereenvolgens in heel de Arabische wereld mohammedaanse dictaturen van verschillende aard zullen vormen. Als ik zeg “mohammedaanse” dan denk ik minder aan religieuze structuren dan aan de wereldse structuren die uit de doctrine van Mohammed voortvloeien. Van nu af aan is de sultan van Marokko helemaal van de kaart, en Bourguiba zal de macht maar weten te behouden door een soort dictator te worden. Misschien hadden deeloplossingen volstaan om de vaart van de islam in te dijken, als ze bijtijds waren toegepast. Vandaag is het te laat daarvoor! De armoedzaaiers hebben ook weinig te verliezen.*

Zij zullen er de voorkeur aan geven in hun miserie te blijven zitten, binnen een mohammedaanse gemeenschap. Hun lot zal allicht onveranderd blijven. Wij hebben een te westerse kijk op hen. Boven de weldaden die wij hen menen te kunnen brengen, zullen zij de toekomst van hun ras verkiezen. Zwart Afrika zal niet lang ongevoelig blijven voor deze ontwikkeling. Al wat wij kunnen doen, is ons bewust worden van de ernst van het probleem, en de voortgang ervan proberen te vertragen.

André Malraux, le 3 juin 1956.
_______

* Malraux schrijft «misérables» met aanhalingstekens, vanzelfsprekend een verwijzing naar Victor Hugo.

2 september 2016

Wanneer is de journalistieke term "verwarring" populair geworden?


Je leest tegenwoordig vaak over personen die iets gedaan hebben in een toestand van verwarring. Dat begrip heeft ruime afzet gevonden in de journalistiek. Iemand moet ermee begonnen zijn in een krant, of op de radio of tv, en daarna zijn alle vakbroeders de term voor eigen rekening beginnen te gebruiken.

Verwarring geeft aan dat iemand niet in zijn normale, wakkere doen is. Misschien wordt het begrip ook wel gehanteerd in de psychologie of de psychiatrie, als er geen preciezere term voorhanden is, maar tenslotte is verwarring heel gewoon. Iedereen is wel eens verward. Keuzes maken bijvoorbeeld kan verwarrend zijn, en een goede verkoper zal meteen merken of een klant in verwarring raakt door de veelheid van smartphones in zijn winkel. Heinrich Heine raakte eens verward toen hij, ik meen in een operaloge een mooie vrouw zag samen met haar dochter, en hij ze allebei even liebenswürdig vond.

En het is waar dat je bij de verklaring van een gebeurtenis geen zeven termen moet gebruiken als één volstaat. Pluralitas non est ponenda sine necessitate, zei William van Ockham (1288-1347). En Willem ging nog even door: Nec oportet multiplicare res in talibus locutionibus, het geeft geen pas om met een vloed van woorden dingen op te blazen.*

Het is dus geruststellend om te lezen dat een aanslag, een schiet- of steekpartij, een dolle rit met een vrachtwagen of nog iets anders, het werk is geweest van een verwarde mens. Als duiding volstaat dit, we begrijpen alles nu en hoeven niet verder te zoeken. We hebben de mensen weer slimmer gemaakt, zou de constructieve Björn S. zeggen.

Toch moeten er verschillende soorten verwarring bestaan.
Denken we even terug aan de schietpartij in de kazerne van Fort Hood in Texas, de vijfde november van 2009 – het moet niet altijd over recente feiten gaan.

Daar had een geboren Amerikaan, majoor Nidal Malik Hasan, plaatsgenomen aan een lege tafel in de mess, waar veel volk zat. Hij boog het hoofd enkele ogenblikken, misschien om een gebedje te doen, stond dan plots recht, riep "Allahu Akbar!" en begon te schieten. Hij maakte met zijn FN-pistool dertien doden en tientallen gewonden, op een burger na allemaal medesoldaten.

Later bleek uit documenten dat Hasan zijn brieven en mails naar gelijkgezinden al heel lang ondertekende met SoA (Soldier of Allah). Ook schreef hij: “…in de Amerikaanse democratie regeren 'we the people', en de mensen zelf treffen beslissingen, ook al gaan die in tegen de wil van de almachtige Allah.” En elders schreef hij: "Islam is ons gebracht om over alle religies te zegevieren". Ook zei hij geen eed van trouw af te kunnen leggen aan wetten die tegen de wil van Allah ingaan. Maakt een consistente indruk.

Overlevenden en familieleden van de doden hebben toen gevraagd om de schietpartij te kwalificeren als een “door militante islamitische overtuigingen gemotiveerde daad”.
Dat verzoek werd verworpen, en de officiële (en bijgevolg ook journalistieke) verklaring hield het op "an isolated incident of a deranged individual." Geïsoleerd incident, nergens verband mee, verward individu.

Misschien is de populaire term "verwarring" toen wel gelanceerd?
___________

* Volker Leppin, Wilhelm von Ockham: Gelehrter, Streiter, Bettelmönch, 2003 Darmstadt, Primus Verlag, S.63.

1 september 2016

Eerste dag van het schooljaar


Heb vandaag al geleerd, en het is nog maar middag, dat FLIK waarschijnlijk een vroeg zestiende-eeuws Duits woord is.

Bij van Dale staat dat wij – de Vlamingen, niet de Nederlanders – het woord hebben van de Fransen, en dat klopt natuurlijk. “Politieagent” is overigens pas de vierde betekenis:
1flik : (geen afbreking) zelfstandig naamwoord; de (m); meervoud: flikken (gewestelijk).
1. slag  •een flik om zijn oren
2. uitgestoken stuk veen

2flik : de (m); g.mv. (1684 ‘spel kaarten’) vermoedelijk klankschilderend (Bargoens). 
1. krant
2. stel kaarten
3. taal  •gekke flik

3flik : de (m); meervoud: flikken; (meestal verkleinvorm) genoemd naar Caspar Flick, een 18e-eeuwse fabrikant.
1. klein rond chocolaatje met een platte en een bolle zijde

4flik : de (m); meervoud: flikken (na 1950) ontleend aan Frans flic.
1. (Belgisch-Nederlands, spreektaal) politieagent, smeris

In de onvolprezen ATILF (Analyse et Traitement Informatique de Langue Française), gaat men iets verder terug:


Prononc. : [flik]. Étymol. et Hist. [1828 « agent de police » ds ESN.]; 1836 flique (Parent-Duchâtelet, De la prostitution dans la ville de Paris, I, 137 ds Fr. mod. t. 15, p. 199); 1856 flic (Michel). Prob. empr. à l'arg. des malfaiteurs all. où flick est attesté dès 1510 au sens de « jeune homme, garçon » (cf. FEW t. 15, 2, p. 143a et F. KLUGE, Rotwelsch; Quellen und Wortschatz der Gaunersprache und der verwandten Geheimsprachen p. 53, 76, 79 et passim).

Verwijzingen naar Le Robert (zes delen van elk een kleine duizend bladzijden) vind je niet op Atilf, misschien een kwestie van auteursrechten, maar in dit geval is dat niet erg want in deel drie lezen we enkel dit:


28 augustus 2016

Een inquisiteur, een blondje en een politica


Begin deze maand las u hier hoe journalisten te werk gaan met ‘mots-couperets’, hakbijlwoorden om een politieke tegenstander het zwijgen op te leggen. Maar er zijn ook andere methoden: de pure onbeschoftheid bijvoorbeeld.

In de uitzending van France2 On N’est Pas Couché gisterenavond (het programma is vooraf opgenomen en gemonteerd) konden we de beide technieken bewonderen. De politieke gaste was Nathalie Kosciusko-Morizet, een van de kandidaat-presidentskandidaten van Les Républicains, en ze werd ondervraagd door Yann Moix en Vanessa Burggraf.
Deze laatste is nieuw in het programma, zodat ze zich een beetje moet laten gelden. Vanessa herhaalde daarom een zevental keren: u liegt, ik geloof u niet, u liegt, u bent oneerlijk, u liegt enzovoort. Aan Kosciusko-Morizet was namelijk gevraagd wat ze zou doen als ze het niet haalde ...en zij had geantwoord dat ze zich met die vraag nog niet had beziggehouden, en dat men aan atleten ook niet vooraf vraagt wat ze van plan zijn te doen, mochten ze naast de medailles vallen.
Maar erger dan wat dit blondje – niet per se lelijk, maar helaas totaal charmeloos – zich permitteerde, vond ik toch de dwaasheden van Yann Moix. Hij begint zo:

Yann Moix : La première chose : est-ce que vous connaissez l’article deux de la loi de 1905 ? est-ce que vous le connaissez ? Puisque vous parlez de la laïcité toute la journée.
Nathalie Kosciusko-Morizet : Mais donc, Yann Moix…
YM : C’est important pour les téléspectateurs.

Niets is gemakkelijker natuurlijk dan naar de studio komen met een wettekst in de hand en dan vragen of iemand een artikel ervan wil opzeggen. Het ging over de wet van 1905 over de “lekenstaat”, la laïcité met een onvertaalbaar woord.
Yann Moix werd in zijn jeugd nog mishandeld, en laat zich daar graag op voorstaan (en je kunt hem dat ook nog wat aanzien, al kan dit een vooroordeel van me zijn – Heine zei al dat, als we wéten dat iemand blind is, wij dat ook aan zijn rug menen te zien), en zelf mishandelt hij blijkbaar ook graag eens, in dienst van het Goede dan wel. En ook komt hij graag als intellectueel uit de hoek. Yann houdt van sterke gevolgtrekkingen: de wet geldt voor iedereen weet hij, voor moslims net als voor wie ook, en hij besluit zijn redenering met “quod erat demonstrandum”.

YM : Une femme qui n’est pas musulmane, peut mettre une burqa si ça lui fait plaisir. L’État s’en fiche. C’est la seule solution qui était parue conforme au principe de la Séparation. CQFD.
(applaus)
NKM : D’accord, alors, moi je …
YM : Toute la journée les hommes politiques disent aux musulmans: et les valeurs de la République ? Vous ne connaissez même pas vos propres lois, ni l’Histoire de France.
NKM : Vous acceptez… vous acceptez une réponse quand-même, maître ?
YM : Oui bien sûr, on est là pour ça.
NKM : Je pense que vous avez une interprétation complétement inversée des débats de la loi de 1905…

Hierboven werd Yann al net zo onbeleefd als het blondje naast hem, maar daar bleef het niet bij. Kosciusko-Morizet wilde haar wetsvoorstel in verband met salafisme toelichten, maar Moix wilde liever over iets anders praten: de boerkini natuurlijk! Succes gegarandeerd, dacht onze tv-jongen. En hij haalde twee prachtargumenten uit zijn bovenkamer: een van medische, en het andere van psychosociale aard:



Nathalie Kosciusko-Morizet : Moi, je demande l’interdiction, la mise hors la loi du salafisme. Et je le demande de la manière suivante : en le désignant comme une idéologie qui tente, qui fait prévaloir l’interprétation d’un texte religieux sur le lois fondamentales de la République. C’est le sens de la proposition de loi que j’ai déposée...
Yann Moix : Mais parlez du burkini !
NKM : Non, non, les…
YM : Mais en quoi, si vous voulez, ça regarde l’État qu’une femme porte un burkini ?
NKM : Quel est l’intérêt de s'obséder de cette question de burkini ? Ce n’est pas…
YM : C’est vous qui êtes contre, moi je ne m’obsède pas quand je vois une femme en burkini sur une plage. elle peut avoir des mélanomes… si vous voulez, ça peut être aussi des raisons, mettez médicales de mettre une …un burkini. Ça peut être aussi …vous savez, les musulmanes ont peut-être peur d’aller à la plage, donc plutôt que de rester dans leur cuisine, elles voudraient aller à la plage protégées.
NKM : D’accord. Moi ce que je vous dis, c’est que, après le débat sur le burkini, dans trois mois on aura un débat sur autre chose, une autre manifestation du salafisme, et dans trois mois encore un débat sur une autre manifestation du salafisme. Et que plutôt que de polémiquer… sur tous ces débats, et surtout de s’enferrer sur tous ces débats successifs, qui à chaque fois nous déchirent, et on en parle pendant des heures…

Maar toen kwamen met vereende krachten Yann Moix en het blondje tussen, zodat we Nathalie Kosciusko-Morizet niet meer konden verstaan, en van onderwerp konden veranderen.
___________

P.S. Je veux croire que c’est gratuit, mais enfin, le fait que le terrain même de la discussion politique soit une émission de variété qui s’appelle On N’est Pas Couché, et bien c’est absolument désolant pour l’état de la culture et de la civilisation.

Renaud Camus.
o-o-o-o-o-o

Yann Moix : Eerst en vooral: kent u artikel twee van de wet van 1905? kent u het? Want hele dagen hebt u het over de laïcité.
Nathalie Kosciusko-Morizet : Kom nu, Yann Moix…
YM : Dit is belangrijk voor de kijkers.
___________
YM : Een vrouw die geen moslimse is, mag een burqa aantrekken als zij daar plezier in heeft. De Staat heeft daar lak aan. Dat was de enige oplossing die in de lijn van het principe van de Scheiding [“van kerk en staat”] had geleden. QED.
(applaus)
NKM : Goed, maar wat ik nu…
YM : Hele dagen zeggen de politici aan de moslims : en de waarden van de Republiek dan? U kent niet eens uw eigen wetten, noch de Geschiedenis van Frankrijk.
NKM : Stemt u erin toe… stemt u erin toe dat ik een antwoord geef, meester?
YM : Ja, vanzelfsprekend, daarvoor zitten we hier.
NKM : Ik meen dat u een compleet verdraaide interpretatie geeft aan de debatten rond de wet van 1905…
___________
Nathalie Kosciusko-Morizet : Wat ik vraag is een verbod, een buiten de wet stellen van het salafisme. En ik vraag dat op deze manier: door het aan te wijzen als een ideologie die de interpretatie van een religieuze tekst probeert te doen voorgaan, en doet voorgaan op de fundamentele wetten van de Republiek. Dat is de betekenis van het wetsvoorstel dat ik heb ingediend…
Yann Moix : Spreek liever eens over de boerkini !
NKM : Nee, nee, de…
YM : Maar alstublieft, wat zou het de Staat aangaan dat een vrouw een boerkini draagt?
NKM : Wat zit er toch achter die obsessie met de boerkinikwestie? Dat is niet…
YM : U bent het die ertegen zijt, ik raak niet geobsedeerd als ik op een strand een vrouw in boerkini zie. Misschien heeft ze wel melanomen… kijk, er kunnen ook redenen zijn, bijvoorbeeld medische redenen om een boerkini aan te trekken. En het kan ook zo zijn …weet u, misschien zijn die moslimvrouwen wel bang om naar het strand te gaan, en liever dan in hun keuken te blijven zouden ze dan beschermd naar het strand willen gaan.
NKM : Goed. Maar wat ik u zeg, is dat na het debat over de boerkini we binnen drie maanden een debat zullen hebben over iets anders, en weer drie maanden verder nog een debat over alweer een andere uiting van het salafisme. En eerder dan te polemiseren… in al die debatten, en vooral liever dan zich vast te lopen in al die opeenvolgende debatten, die ons telkens weer verscheuren, en met uren en uren gepraat…

22 augustus 2016

Over de scheiding tussen de borsten van kerk en staat


Trilogieën lezen kan spannend zijn. De taak van de auteur is het vanzelfsprekend om drie flinke turven te schrijven, eventueel met een paar tussenpauzes, maar altijd toekijkend of zijn lezer nog blijft volgen.

Rémi Brague heeft dat gedaan, en het eerste deel van zijn trilogie verscheen in 1999: La sagesse du monde, Histoire de l’expérience humaine de l’Univers, 445 bladzijden.
In 2005 al verscheen deel twee: La Loi de Dieu, Histoire philosophique d’une Alliance, iets dikker, 582 bladzijden.
En in januari dit jaar was deel drie gedrukt: Le Règne de l’Homme, Génèse et échec du projet moderne, 403 bladzijden slechts, maar de bladzijden zijn wat groter. En eigenlijk zijn het maar 270 bladzijden want de rest zijn noten en indexen. Bij de eerste twee delen was dat ook zo.
Dat derde deel ben ik nog aan het lezen, maar de titel laat geen happy end vermoeden.

In La Sagesse du Monde legde Brague uit hoe de vroege mensen naar de zon en de maan en de sterren keken, en daarbij regelmatigheden ontdekten die ze ook voor henzelf betekenisvol vonden. In deel twee, La Loi, komt God dan op de proppen en hij vaardigt wetten uit – of juist niet want die dingen zijn niet zo eenvoudig verlopen als je wel zou denken.
Over het derde deel kan ik begrijpelijkerwijs nog niets zeggen, maar op p.429 van La Loi de Dieu staat iets dat vele journalisten en politici zouden moeten lezen, al gaat het niet over boerkini’s.

– Ikzelf heb dat kledingstuk overigens nog niet gezien, tenzij op foto’s, terwijl ik vorige week nochtans in Knokke was en van bij Corman zie je door het raam het strand heel goed.
Bon, laten we Brague dan iets vertellen over de scheiding van kerk en staat, waar je ook veel over hoort en leest:

On ne cesse aujourd’hui de parler de la distinction du politique et du religieux. Les uns se flattent de vivre dans une culture où une telle distinction a eu lieu, voire souhaitent qu’on la pousse encore plus loin jusqu’à éliminer toute trace d’une influence du religieux sur la vie publique des hommes. Les autres se félicitent de vivre dans une culture où cette distinction n’a toujours pas été opérée de façon irréversible, ou rêvent de refermer la déchirure qui menace la belle totalité de la communauté. Les deux invoquent cette distinction pour se reprocher mutuellement d’avoir ou non abandonné une indistinction supposée originelle. La symétrie en miroir entraîne des distorsions dans la perception des cultures les unes par les autres : une même séparation, perçue comme progrès en Europe, est lue comme un signe de décadence en Islam.
Or, on peut se demander si cette séparation tant chantée, et sa traduction concrète dans la « séparation de l’Église et l’État », ont jamais eu lieu. Cette dernière formule est d’ailleurs trompeuse. Elle suggère d’abord, en effet, l’existence d’une union initiale ; elle suppose ensuite que l’État et l’Église sont des institutions qui auraient existé depuis toujours. Ces deux hypothèses ne sont guère fondées. Il vaudrait mieux parler du développement parallèle de de deux institutions qui n’ont jamais formé une unité. 

Men houdt vandaag niet op met spreken over het onderscheid tussen politiek en religie. De enen vleien zich met de gedachte dat ze in een cultuur leven waar men dit onderscheid heeft gemaakt, en wensen soms zelfs dat het nog verder doorgedreven wordt, tot elk spoor van religieuze invloed op het publieke leven van de mens geëlimineerd is. De anderen prijzen zich gelukkig te leven in een cultuur waar dat onderscheid nog niet onomkeerbaar is doorgevoerd, of dromen ervan de scheur weer dicht te maken die de mooie geheelheid van de samenleving bedreigt. Allebei hebben ze het over dat onderscheid en verwijten ze elkaar wederzijds dat ze deze, verondersteld bij aanvang nog ongescheurde toestand al of niet hebben achtergelaten. De gespiegelde symmetrie brengt dan vervormingen mee in de manier waarop culturen elkaar zien: eenzelfde onderscheid dat men in Europa ziet als een vooruitgang, wordt in de islam als een teken van decadentie verstaan.
Maar men kan zich afvragen of deze zo veelbezongen scheiding, en de concrete vertaling ervan in “scheiding van kerk en staat”, ooit wel heeft plaatsgehad. Die laatste uitdrukking is trouwens misleidend. Vooreerst suggereert ze inderdaad dat er een oorspronkelijke eenheid is geweest; vervolgens veronderstelt ze dat Kerk en Staat instellingen zijn die altijd al hebben bestaan. Die twee hypotheses zijn nauwelijks gefundeerd. Beter zou het zijn om te spreken over de parallelle ontwikkeling van twee instituten die nooit een eenheid hebben gevormd.

Hiermee hoop ik enkele lezers overtuigd te hebben om alvast met deel één te beginnen.


17 augustus 2016

Een dwaling die in alle landen voorkomt


De naam Κασσάνδρα (Cassandra) wordt vandaag vaak afgeleid van κέκασμαι (kékasmai), schitteren, excelleren, en ανήρ (anèr), man, met als genitief andrós: zij die schittert onder de mannen. Bij Robert Graves (The Greek Myths, deel II, Penguin 1960) heette het nog dat de naam betekent “zij die mannen in verwarring brengt”. Wat er ook van zij – u mag zelf kiezen – feit is dat de mooie Cassandra in slaap was gevallen in de tempel en er bezocht werd door de god Apollo die met haar de liefde wilde bedrijven. Zij stemde toe als hij haar eerst de kunst van de voorspelling zou leren. Maar eens ze die gave bezat, weigerde ze hem haar gunsten. De god smeekte nu om tenminste een kus, en dat stond ze toe. Apollo spuwde daarbij in haar mond, waardoor niemand ooit nog zou geloven wat Cassandra allemaal voorspelde.
En inderdaad, toen de Grieken met het geschenk kwamen dat wij nu het paard van Troje noemen, nam niemand haar waarschuwingen ernstig.
Op zich was dat erg genoeg, maar wat ik in de Griekse mythen (we volgen hier Graves) niet heb gevonden, is dat men Cassandra’s voorspelling als oorzaak van de daaropvolgende ramp beschouwde.
Dat is tegenwoordig wel anders. In zijn beroemde speech van 1968 zei Enoch Powell: Bovenal zijn mensen geneigd om het voorspellen van problemen te verwarren met het veroorzaken van problemen, of zelfs het zoeken van problemen: “Als men”, willen ze graag denken, “als men er maar niet over praat, dan gebeurt het wellicht niet.”
In Frankrijk zie je dat ook, en ook bij ons komt de waangedachte voor dat de boodschapper die men – conform de Griekse mythe – eerst niet wil geloven, de oorzaak is van de kwaal. Het is een soort journalistieke bezweringsformule geworden.
In Duitsland is dat ook het geval, zo vertelt ons Frauke Petry van de Alternative für Deutschland, in een toespraak die ze in Zwitserland hield. Een fragment hieruit:



[na 17 minuten] ...en zo komen wij opnieuw, dames en heren, op het thema ‘directe democratie’. Wat wij nodig hebben zijn volksraadplegingen, beslissende referenda – zoals u die gewend bent – hoogstwaarschijnlijk zelfs in heel Europa, maar in elk geval in het grootste Europese land, in Duitsland, zodat de politieke wereld ertoe gedwongen wordt zijn eigen plannen, zijn eigen denkbeelden als hij die überhaupt heeft, af te stemmen op het buikgevoel van de burger.
Dit is geen kroegpraat, zoals het geringschattend heet – dat mag het helemaal niet zijn – dit is, in de beste zin van het woord populistisch. Ze zijn noodzakelijk, om zaken die in de samenleving gedeeld worden überhaupt nog aan de oppervlakte te brengen, want ook wij stellen vast dat de politieke discussie, het dagelijkse regeerwerk, dat wat een parlementslid elke dag bezighoudt, hem al zeer vlug van de burger verwijdert. En dus moet de politicus gedwongen worden om zich door de Soeverein [Petry gebruikt deze term, die in Zwitserland "de, burger, de kiezer" betekent] te laten controleren. Maar dat mag niet zijn, en niemand doet het uit vrije wil want meningsverschillen doen ook persoonlijk pijn – dat zei ik bij het begin al. En om die reden zou men ook kunnen zeggen dat burgerparticipatie, dat volksraadplegingen als het om belangrijke thema’s gaat nodig zijn – en hier stemt u over veel meer thema’s dan in Duitsland überhaupt ooit denkbaar zou zijn – want tenslotte zijn deze het bindmiddel dat de samenleving duurzaam samenhoudt en dat een radicalisering, zoals we die nu in Duitsland hoe dan ook zien, kan verhinderen.
Gisteren aan de telefoon vroeg mij een journaliste van de Neue Zürcher Zeitung – die wij in Duitsland overigens hoogschatten, omdat hij veel artikels brengt die in de Duitse leidende kranten ondenkbaar zijn: dus wees daar af en toe een beetje trots op – er werd mij gevraagd of het voor de AfD niet bedenkelijk was dat wij medeverantwoordelijk zijn voor de radicalisering in Duitsland.
Nu weet u dat in Duitsland, door de meer dan één miljoen asielzoekers in het jaar 2015, een maatschappelijk werkelijk explosieve situatie is ontstaan waarbij het me telkens weer verblijdt te zien hoeveel burgers toch nog met grote gelatenheid omgaan met een situatie die ons niet enkel financieel maar ook wat het samenleven betreft sterk op de proef stelt, en niet zien wat onze politici ons land eigenlijk hebben aangedaan – met een uitkomst die open blijft welteverstaan! En als ze het vandaag over kleinere aantallen hebben, dan is dat precies niet de verdienste van de Bondskanselierster, maar eerder van zesentwintig van de achtentwintig EU-staten die tegen haar wil in handelden … wat zij vandaag echter als een succes van haarzelf verkoopt.
Dames en heren, vandaag in Duitsland zien wij werkelijk een verhitte toestand, wat zich weerspiegelt in demonstraties op straat, maar ook in niet te rechtvaardigen uitbarstingen van geweld, ook tegen asielcentra. En dan kijkt men graag naar het oosten, en zegt men dat in het oosten het bijzonder slecht gaat. Maar ja, als de natuurwetenschapper die ik als scheikundige ben, sta ik net als Churchill zeer kritisch tegenover elke statistiek die ik niet zelf vervalst heb. Feit is in elk geval dat, minstens in absolute aantallen gerekend het aantal gewelddadige overvallen gestegen is. En dit kent Zwitserland blijkbaar niet op die manier, en ik ben blij dat Zwitserland dit niet kent, want het is niet iets dat goedgekeurd kan worden door om het even wie die zich democratisch opstelt en zijn land ook als zodanig ziet.
Blijft echter het feit, dat wij het verwijt krijgen de aanstichters van dit probleem te zijn. En dat, dames en heren, is symptomatisch voor het politieke debat, zij het niet alleen in Duitsland, maar ik meen in vele delen, niet enkel van Europa maar misschien wel van de wereld. Men verklaart hier de boodschapper die met een slechte tijding komt tot veroorzaker van het probleem, omdat men over het eigenlijke probleem liever niet praat. En daarvoor hebben we dus de burger nodig, als het spreekwoordelijke kleine kind dat de situatie van vandaag precies onder woorden brengt: dat de keizer, of de kanselierster of wie dan ook in werkelijkheid spiernaakt is.
En als dit kind, dames en heren – hierin kunt u zich misschien inleven – zo voelt de AfD zich meermaals, en zij mag dan spot en hoon en hatelijkheid en allerhande laster slikken.
Maar als de burger, als de burgers tenslotte diegenen zijn die deze discussie mee kunnen voeren, omdat het vanzelfsprekend is dat zij meepraten, dan zal deze soort hetze [drijfjacht] – ik noem het met opzet altijd een hetze omdat het verhinderen van democratische meningen niets anders is, en omdat politici die het onderscheid tussen kritiek en hetze niet meer kennen, eigenlijk diegenen zijn die het democratische discours al lang verlaten hebben. En daaraan moeten wij ze herinneren. Dat moeten in de eerste plaats precies ook politici zich van de Soeverein laten welgevallen.

15 augustus 2016

Twee journalistieke reacties uit Zwitserland


In de ene reactie – Le Temps (de Genève), le 15 août – zien we aan de woordkeuze van de redacteur ('egocentrisme') dat hij, het moet gezegd worden, als een gebeten hond reageert op het bestaan en de macht van virtuele nieuwsbronnen. Dat is begrijpelijk, want na Keulen is het bijzonder duidelijk geworden dat de reguliere journalistiek, in samenspraak met de autoriteiten gewillig feiten verborgen houdt die het publiek op slechte gedachten zouden kunnen brengen. Daarvoor kon men nog doen alsof zulke journalistieke opvattingen enkel bestonden in paranoïde breinen, maar sindsdien weet het grote publiek het. Na zijn gevoelsmatige opstoot, waar wij zoals gezegd begrip voor hebben, herpakt de redacteur Nicholas Dufour zich gelukkig in een theoretische, bijna filosofische beschouwing:

De inwoners van dit stadje van 600 zielen proberen wanhopig de drijfveer achter de misdaad van zaterdag te begrijpen. […] In de eerste plaats, en zelfs al gaat hij volkomen op in zijn egocentrisme van berichtenverspreider die er meer van wil weten dan een ander, toch blijft de digitale mens tuk op officiële mededelingen, ook al worden die later ontkend. De instanties van München hebben dat spel meegespeeld en hebben er tot het eind de verantwoordelijkheid voor genomen. Deze van Sankt Gallen deden het omgekeerde, en gaven er de voorkeur aan enkel mee te delen wat zonder enige twijfel vaststond. Zo hebben zij, in een vergeefse poging om de geruchten te neutraliseren, meteen onderstreept dat de agressor de Zwitserse nationaliteit had. Daarna radiostilte.
In juli werden op het web de Müncheners geloofd voor hun keuze inzake communicatie. De mensen van Sankt Gallen werden de grond ingeboord vanwege hun zin voor geheimhouding – voor hun geheimzinnigdoenerij misschien, wie weet? Blijft dat in München de keuze om voortdurend te spreken tot verwarring heeft geleid. In Zwitserland heeft de omzichtige aanpak de frustraties aangescherpt. Voor officiële instanties is het een lastig dilemma.

In de Neue Zürcher Zeitung schrijft Daniel Gerny (14 augustus) over de „Amoktat in Salez“ onder de titel: „Unser fragiles Sicherheitsgefühl“
Maar wat is een amokdaad? Volgens Multatuli kwam amok nogal eens voor in Nederlands-Indië. Zo vreesden de autoriteiten in Badoer, dat de vader van Saïdjah “in een ogenblik van mata-glap misschien amok [kon] maken of andere verkeerdheden begaan zou.”
En al heeft de politie niets meegedeeld over de beweegreden van de dader, Gerny weet blijkbaar dat het in Salez om een geval van mata-glap ging, zinsverbijstering. Waar hij zijn precieze kennis vandaan haalt vertelt hij ons niet, maar verderop ziet Gerny de zaken heel breed. Hij hanteert het grote perspectief: het leven zelf is gevaarlijk, vernemen we!

[…] Het is niet atypisch voor onze in elk opzicht op de grootst mogelijke veiligheid gerichte samenleving, dat wij ons overdreven fel uit balans laten brengen door gebeurtenissen waarvan de foto’s ons schokken, maar waar statistisch gezien niet het grootste bedreigingspotentieel van uitgaat. Het leven op zich is gevaarlijk, en enkel de dood is een absolute zekerheid – deze waarheid is uit ons bewustzijn bijna weggebannen. Alles eraan doen opdat gewelddaden als die in Salez en Würzburg zich niet herhalen, is noodzakelijk. Tegelijk moeten we zonder paniek aanvaarden dat het ondanks alles toch kan gebeuren – met die zekerheid moeten we ons weer grondiger bezighouden.

11 augustus 2016

Nu het schooljaar weer in aantocht is


Wanneer noemen we een boek klassiek? Italo Calvino gaf ooit een grappige definitie: een klassiek boek is er een waarvan je altijd hoort, dat ben ik aan het herlezen, en nooit, dat ben ik aan het lezen. Ik vertaal uit mijn hoofd, want ik vind zijn ‘Pourquoi lire les classiques’ (vertaling van Perché leggere i classici, 1991) niet meer terug.
Een andere eigenschap van klassieke werken is, zegt hij, dat ook een eerste lectuur al een herlezen is. Inderdaad kun je bijvoorbeeld de fabels van Aesopus niet echt voor het eerst lezen, want die zijn ingebakken in onze cultuur en als kind kende je wellicht al de versie van de La Fontaine. Benno Barnard zei daarover iets dat wat mij betreft als een soort definitie van cultuur mag doorgaan: ‘…dat is allemaal door de kaken van de beschaving allang vermalen, en dat is allang verwerkt. Dus je weet al wat erin staat. Er staat niks in waarvan je zegt: Jezus, dat is nu helemaal verbazingwekkend nieuw!’ 
Met dat laatste zou Calvino het overigens niet eens zijn geweest: bij een klassiek werk is namelijk elke herlezing ook weer een eerste lectuur, zegt hij, want telkens weer springen er nieuwe dingen uit.

Maar de klassieken, of we nu aan Cervantes denken, of aan Shakespeare, Montaigne, Vondel, Poesjkin, Dante of Goethe …dat zijn in de eerste plaats toch de Grieken en Romeinen (als we de nog oudere Soemeriërs buiten beschouwing laten, want die kennen we nog niet zo lang). Rechtstreeks contact met die ouden en hun talen moet dan wel belangrijk zijn?

Helaas, wat iedereen kan zien is dat in vele landen de ministers van onderwijs zich inspannen om het Grieks en Latijn naar de achtergrond te verwijzen, en zo een poot van de Europese beschaving weg te zagen. Een begrip als ‘humaniora’ is namelijk te elitair, en onderwijs moet praktijkgericht zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld, en al ontkent ze het in alle toonaarden, probeert Mme Najat Vallaud-Belkacem dat.
Een van haar voorstellen is om een vak Enseignements pratiques interdisciplinaires (EPI) in te voeren, en zo de leerlingen – alle leerlingen vanzelfsprekend: geen elitarisme – vertrouwd te maken met enkele Griekse en Latijnse uitdrukkingen. Meer dan weetjes zullen dat niet worden, en in die praktische, interdisciplinaire lessen zouden volgens haar ook de vakken Grieks en Latijn een plekje moeten vinden. Haar critici spraken van ‘une sorte de bricolage, confus et rudimentaire’.

Wie zich tegen deze ontwikkelingen altijd fel heeft afgezet, al heeft zij gelukkig de consecratie ervan niet meer hoeven meemaken, is de grote Graeciste Jacqueline de Romilly (1913-2010). De Griekse regering verleende haar de nationaliteit van het land, en een pleintje in Athene draagt haar naam.
Toen de Romilly op hoge leeftijd werd gevraagd wat het belang was van het Grieks in het onderwijs, antwoordde zij (26'19"):

Enkel direct nuttige kennis opdoen die je zomaar kunt gebruiken eens de schoolpoort verlaten, daar gaat het niet om. Het gaat om het vormen van de geest. Zich een oordeel leren vormen, leren waarom men iets slecht begrepen heeft, leren een vergissing corrigeren. En tegelijk is het in veel bredere zin geestelijk vormend, want je krijgt voeling met wat mensen eerder al hebben gedacht. Denken doe je nooit alleen. Je vindt niet alles zelf uit, dat gaat niet. Je ziet signalen, richtpunten.
En daarstraks herinnerde ik aan die Griekse helden. Wel, dat zijn zulke bakens van een bepaald ideaal, een bepaald gevaar, een bepaalde noblesse. Nu, in het leven en op elk niveau van het bestaan, werkelijk op elk niveau, moet men duidelijk, ja zelfs rechttoe rechtaan kunnen uitdrukken wat men wil en waarom. Dus heeft men die vorming van de taal, van de geest, van het ideaal nodig, om het even wat men later doet. 



Ce n’est pas seulement l’acquisition d’un savoir immédiatement utile dont on peut profiter à la sortie. C’est la formation de l’esprit. Apprendre à juger, apprendre pourquoi on a mal compris ça, apprendre à corriger une erreur. Et en même temps une formation de l’esprit dans un sens beaucoup plus large, c’est-à-dire le contact avec ce que les gens ont pensé. On ne pense jamais tout seul. On n’invente pas tout, ce n’est pas possible. On a des signaux, des repères.
Et j’évoquais tout à l’heure ces héros grecs, mais ce sont les repères d’un certain idéal, d’un certain danger, d’une certaine noblesse. Et, pour vivre, à tous les niveaux de l’existence, à tous les niveaux vraiment, on a besoin de pouvoir s’exprimer clairement, voire, voire franchement, ce que l’on veut et pourquoi. Donc cette formation de la langue, de l’esprit, de l’idéal, on en a besoin, quoi qu’on fasse par la suite.



En zoals Jacqueline de Romilly het vroeg,
Brassens le dit franchement:

4 augustus 2016

Een interessante stem: Ingrid Riocreux


In Frankrijk gebeurt er meer dan bij ons, en soms ontdek je dan een auteur waar je nog nooit van gehoord had. Ingrid Riocreux is zo iemand. Zij haalde een doctorat ès lettres (moderne letteren) aan de Sorbonne, Paris-IV, en is daar vorser. En Riocreux schreef met scherpe pen een boek: La Langue des Médias – Destruction du langage et fabrication du consentement, waarin zij het journalistieke taalgebruik onder handen neemt.
Ze heeft behalve die pen, ook een scherpe tong, en ik zag een mooi gesprek met haar op de site Observatoire des Journalistes et de l'Information Médiatique. Hier een fragmentje daaruitmaar de naam van de interviewer heb ik niet gevonden. [noot van 5 augustus: vandaag lieten de mensen van OJIM me weten dat het hun voorzitter Claude Chollet was]
Bijzonder vermakelijk is verder ook een artikeltje van haar, waarin zij – maar dat moet u zelf maar bekijken – een journaliste van Le Nouvel Observateur, Anne Crignon, van antwoord dient en werkelijk elke zin van haar van alle vlees ontdoet. Een weerwoord van deze madame Crignon is mij niet bekend.



U spreekt van hakbijlwoorden [mots-couperets], bij wat u noemt de sceptici en de foben. Wat mag het verschil zijn tussen een foob en een scepticus?
Eigenlijk is het interessante niet zozeer dat men het onderscheid ziet tussen, neem een eurofoob en een euroscepticus – al is het waar, dat ik daarover een hele uiteenzetting houd – maar wel dat men precies ziet in welke mate dit valstrikwoorden zijn [mots piégés]. De uitdrukking is van Laurent Fidès. Schokwoorden [mots-chocs], met een uitdrukking van Olivier Reboul, maar in elk geval zijn het woorden die in de mond van journalisten helemaal geen plaats kunnen hebben, want het zijn begrippen die slecht definieerbaar zijn, en dat zeg niet ik, dat doet een rapport van de Nationale Adviescommissie voor de Mensenrechten die waarschuwt voor het gebruik ervan. Het is dus een woordgebruik van militanten. Het zijn polemische termen, die bijgevolg niet neutraal zijn.

Tussen de uitdrukkingen zitten er die… we weten allemaal dat taal nooit neutraal is, maar we zien ook het verschijnen van oxymorons, zo spreekt men bijvoorbeeld van 'gematigde extremisten'.

Ja, dat komt voor in een passage waar ik het meer specifiek heb over een uitdrukking die men in het nieuws vaak hoort: het woord 'islamist' namelijk. Het probleem met dat woord is dat het niet een term van specialisten is, het is geen theologenwoord noch een begrip onder islamologen. Het is een term van commentatoren, en dus in het bijzonder van journalisten. En zoals men het verschil tussen islam en islamisme heeft uitgedacht – wat op zich al heel moeilijk te bevatten valt – is men op dezelfde manier begonnen ons te onderhouden over gematigde islamisten, extremistische islamisten of radicale islamisten. Maar een islamist is al een radicale moslim, wat is dan een radicale islamist? Is dat dan een radicaal-radicale moslim? Kijk, u ziet dat men dan accepteert dat de media ons een verhaal voorhouden dat vol zit met totaal ongrijpbare concepten.

Is dat een manier om de werkelijkheid te camoufleren of te verdraaien?

Wel, in dat geval zou je bij de journalist slechte bedoelingen moeten veronderstellen, en ik meen dat in de meeste gevallen hij vooral goed op zijn woorden let omdat hij voortdurend leeft met de gedachte aan de receptie die deze zullen vinden. Dit maakt dat hij heel bang is dat, als hij de zaken op een bepaalde manier vertelt, het publiek dan dingen zal gaan denken… en hij is bang dat we op slechte gedachten konden komen. Hij zal ons dus op de een of andere manier manipuleren, maar altijd met een volkomen gerust geweten, en altijd voor de goede zaak.

Au fond leidt die schrik dat we op slechte gedachten zouden komen er dan toe dat hij niet langer de rol van berichtgever speelt, maar die van opvoeder?


Precies. Dat is wat ik noem het verglijden van de ethiek van het ware, naar een ethiek van het goede. Het komt hierop neer, dat het niet zijn prioriteit is ons feitelijke informatie te verschaffen, maar ons op een bepaalde manier informatie te geven zodat wij vooral geen, zo u wil, slechte interpretatie aan die feiten zouden geven. En dan zitten we volledig in een soort informatiebegrip dat ideologisch van aard is.

Laten we eens een concreet voorbeeld nemen, dat me zeer illustratief lijkt, en het gaat om een recent verhaal, want nog van september 2015 op France Inter meen ik. Het gaat om de kwestie van de vluchtelingen. 'Het fantasma van de terroristische infiltratie', dat was meen ik de eerste titel van de journaliste. En dan vervolgens kwam er mondjesmaat een semantische verschuiving, men wilde terugkrabbelen, maar niet helemaal. Kunt u ons deze zaak wat meer gedetailleerd uit de doeken doen?

Géraldine Hallot heeft inderdaad op de site van France Inter een artikel geplaatst met als titel «Réfugiés, le fantasme de l’infiltration terroriste», en in een inleidend kopje legt zij uit dat het nergens voor nodig is om bang te zijn voor terroristische infiltratie bij de vluchtelingen. Zij schrijft een zin van deze strekking: 'Moeten we vrezen voor terroristische infiltratie? Neen, en we vertellen u meteen waarom niet.' En dan bleek, na de aanslagen van 13 november, dat enkelen van de terroristen 'gebruik hadden gemaakt van de vluchtelingenroute', zoals men dat op de radio pudiek zegt. En vervolgens heeft de redactie van France Inter – met of zonder toestemming van Géraldine Hallot, dat vernemen we niet – de titel van het artikel gewijzigd en de inleidende kop geherformuleerd, en zo werd die 'Terroristen tussen de migranten?' mét vraagteken. Klaar. En dat 'moeten we vrezen voor terroristische infiltratie? Neen, en we vertellen u meteen waarom niet' is compleet verdwenen.
En het zijn dan de sites van de reïnformatiesfeer zoals men zegt, die dat artikel opgespit hebben. Maar wat er daarna gebeurde is heel interessant, namelijk de manier waarop de journalisten deze affaire compleet weer begraven hebben. Ik citeer de ochtenduitzending van France Info, waar Christian Estrosi de omwerking van het artikel aan de kaak stelde voor de microfoon van Fabienne Sintes, die hem onmiddellijk onderbreekt – we zitten op France Info welteverstaan – en hem zegt: 'Dat zult u met France Inter moeten uitklaren, en onze vrienden van France Inter blijven onze vrienden van France Inter.' Alleen, Géraldine Hallot zit ook op France Info, op zich al gênant genoeg, maar men ziet duidelijk dat er geen sprake van kan zijn een debat over journalistieke ethiek aan te gaan. De deontologische kant van deze zaak, die een debat had kunnen opleveren, voor schandaal had kunnen zorgen en terecht zelfs bij de andere journalisten …daarover mocht niet gepraat worden.

In zekere zin, en in dit duidelijke geval zeker, zou men kunnen spreken van journalisten als manipulators, maar zijn de journalisten niet de eersten die gemanipuleerd worden?


Zeker, en Pierre Bourdieu zei dat al. In het zeer interessante essay Sur la télévision zegt hij dat hoe meer je het verhaal van journalisten bestudeert, hoe meer je begint te beseffen dat als ze manipuleren, ze dat eerst en vooral doen omdat ze gemanipuleerd worden. En net daarom maak ik een duidelijk onderscheid tussen de manipulatie, en de oriëntatie van een discours. Wat ik zeg is dat het gevaarlijkste in hun discours niet de meest karikaturale voorbeelden zijn, al geef ik er veel in mijn boek. Het zijn de kleine details, en daar geef ik ook veel voorbeelden van. Men raakt bijvoorbeeld gewoon aan berichten van dit slag: 'Dit of dat land past nog de doodstraf toe'. Maar dat kleine 'nog' getuigt meteen van een ideologische oriëntatie, en zelfs van een zienswijze, van een geloof in een voorgeschreven richting in de geschiedenis.
Dus dit soort van kleine bijwoordjes mogen wij niet als neutraal aanvaarden, ziet u. Het zijn dus al die kleine details, formuleringen, manieren van zeggen, herformuleringen ook, waarop we altijd heel nauwkeurig moeten letten om ons niet te laten oriënteren door een oriënterend discours.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html