25 maart 2017

Met grapjassen is het uitkijken


De Engelsen hebben een woord “wit”, met als adjectief “witty”, dat je op vele manieren kunt vertalen: scherpzinnig, spits, geestig, snedig, vernuftig, geinig, lollig, olijk, guitig, komiek, schalks enzovoort. Dat kan allemaal, de context bepaalt wat goed is en er zijn wel meer mogelijkheden dan deze elf.
Voor de Engelsen zelf is het begrip evenmin eenduidig, want in een voetnoot die Boswell geeft* las ik een omschrijving van vijfhonderd zeventig woorden. Hij citeert de predikant Dr. Isaac Barrow (1613-1680), die zijn sermoenen had laten drukken. Dat ging toen zo, en zulke verzamelingen waren vaak stilistische hoogstandjes en een belangrijk deel van de Engelse literatuur. De titel van zijn veertiende sermoen in band één was: ‘Against foolish Talking and Jesting’.**
Sommigen vonden ook in Boswells tijd al dat die omschrijving van “wit” nogal lang was uitgevallen, maar Boswell oordeelt anders: “Ik zie niet in hoe dit ingekort zou kunnen worden zonder verlies van een of ander belangrijk onderscheid. Aangezien dit sermoen niet algemeen bekend is, zal ik het hier als voetnoot invoegen, omdat het sommigen misschien kan aanzetten om er nog andere te lezen, waarbij zij waarlijk gesticht zouden worden, al zochten ze misschien enkel een verzetje.”

En nu moet ik me bij de lezer verontschuldigen, want deze heerlijke voetnoot vertalen gaat mijn krachten en werklust te boven. Maar de lezer zal beloond worden, en nooit nog vragen hebben bij de precieze betekenis van het woord "wit":

But first (says the learned preacher) it may be demanded, what the thing we speak of is? Or what this facetiousness (or wit as he calls it before) doth import? To which questions I might reply, as Democritus did to him that asked the definition of a man, 'Tis that which we all see and know. Any one better apprehends what it is by acquaintance, than I can inform him by description. It is, indeed, a thing so versatile and multiform, appearing in so many shapes, so many postures, so many garbs, so variously apprehended by several eyes and judgements, that it seemeth no less hard to settle a clear and certain notion thereof, than to make a portrait of Proteus, or to define the figure of the fleeting air.
Sometimes it lieth in pat allusion to a known story, or in seasonable application of a trivial saying, or in forging an apposite tale; sometimes it playeth in words and phrases, taking advantage from the ambiguity of their sense, or the affinity of their sound: sometimes it is wrapped in a dress of humorous expression: sometimes it lurketh under an odd similitude: sometimes it is lodged in a sly question, in a smart answer, in a quirkish reason, in a shrewd intimation, in cunningly diverting or cleverly retorting an objection: sometimes it is couched in a bold scheme of speech, in a tart irony, in a lusty hyperbole, in a startling metaphor, in a plausible reconciling of contradictions, or in acute nonsense: sometimes a scenical representation of persons or things, a counterfeit speech, a mimical look or gesture, passeth for it: sometimes an affected simplicity, sometimes a presumptuous bluntness giveth it being: sometimes it riseth only from a lucky hitting upon what is strange: sometimes from a crafty wresting obvious matter to the purpose. Often it consisteth in one knows not what, and springeth up one can hardly tell how. Its ways are unaccountable, and inexplicable; being answerable to the numberless rovings of fancy, and windings of language.
It is, in short, a manner of speaking out of the simple and plain way, (such as reason teacheth and proveth things by,) which by a pretty surprising uncouthness in conceit or expression, doth affect and amuse the fancy, stirring in it some wonder, and breeding some delight thereto. It raiseth admiration, as signifying a nimble sagacity of apprehension, a special felicity of invention, a vivacity of spirit, and reach of wit more than vulgar; it seeming to argue a rare quickness of parts, that one can fetch in remote conceits applicable; a notable skill, that he can dextrously accommodate them to the purpose before him; together with a lively briskness of humour, not apt to damp those sportful flashes of imagination. (Whence in Aristotle such persons are termed ἑπίδέξιοι, dextrous men, and εὔστροφοι, men of facile or versatile manners, who can easily turn themselves to all things, or turn all things to themselves.) It also procureth delight, by gratifying curiosity with its rareness, as semblance of difficulty: (as monsters, not for their beauty, but their rarity; as juggling tricks, not for their use, but their abstruseness, are beheld with pleasure:) by diverting the mind from its road of serious thoughts; by instilling gaiety and airiness of spirit; by provoking to such dispositions of spirit in way of emulation or complaisance; and by seasoning matters, otherwise distasteful or insipid, with an unusual and thence grateful tang.
__________
* The Life of Dr. Johnson; A.D. 1759
J.M. Dent & Sons Ltd.– Everyman’s Library n°2, deel II, pp. 388-9.
** Niet enkel in Engeland werd er gewaarschuwd voor grapjassen. Blaise Pascal zei: «Diseurs de bons mots, mauvais caractères», wat spreekwoordelijk is geworden.

23 maart 2017

Fatma Taspinar vertaalt


Our working assumption is that the attacker was inspired by islamist ideology, zei premier May, maar als Fatma Taspinar (vrt-journaliste, die normaal verondersteld wordt enige notie van het Engels te bezitten) dan zegt dat hij "op zijn minst geïnspireerd werd door extremistische gedachten", dan kan ik niet anders dan besluiten dat de redactie voor alternative translation kiest. Maar hoe dom kun je zijn om dan dat Engels nog te laten horen... of gaan ze ervan uit dat de meesten van hun luisteraars toch geen fluit van die taal verstaan?

21 maart 2017

Slechte karakters lezen zulke dingen graag


Je mag schelden en razen, ik zal het geduldig lijden, zei Heine in zijn Buch der Lieder tot een geliefde, maar als je mijn verzen niet looft, laat ik me van je scheiden.

Und wenn du schiltst und wenn du tobst,
Ich werd es geduldig leiden;
Doch wenn du meine Verse nicht lobst,
Laß ich mich von dir scheiden.

Zijn werken zijn de trots en het tere punt van elke schrijver of dichter, en dat is van alle tijden. Met de beroemde romancier Samuel Richardson (1689-1761), uitvinder van de brievenroman, was het niet anders lezen we in de Johnsonbiografie van Boswell. Bekendst van Richardson zijn Pamela: Or, Virtue Rewarded, en Clarissa: Or the History of a Young Lady. Beide romans heb ik geprobeerd te lezen, ooit, maar het is me niet tot het einde gelukt –het zijn ook heel dikke boeken– en ik heb ze dan maar aan een geliefde geschonken. Maar laat dat geen kritiek zijn: in Jevgeni Onegin noemt Alexandr Poesjkin Richardson zeker een keer of vijf –zijn heldin Tatjana is wég van de liefdeshistories van Pamela en Clarissa– en Heine zegt: “Richardson gibt uns die Anatomie der Empfindungen”, hij ontleedt de gevoelens. Geen kwaad dus over die romans.

Maar ijdel was Richardson zeker, zo lezen we bij Boswell. En slechte karakters zagen hem graag op zijn bek gaan:

Veel te vertellen had Richardson nooit, behalve dan over zijn eigen werken, zei Sir Joshua Reynolds, maar om het daarover te hebben stond hij altijd klaar, en hij was pas tevreden als ze te berde werden gebracht. Johnson nu, had Mr. Langton overtuigd hem uit te nodigen en maakte zich sterk dat hij hem aan de praat zou krijgen. Hij gebruikte de dubbelzinnige uitdrukking: “Sir, ik ben in staat hem op te wekken.” Maar dat lukte hem niet, want tijdens het gesprek zei Richardson niet veel meer dan dat er in de kamer een Duitse vertaling lag van zijn Clarissa.”
Hier geeft Boswell een mooie voetnoot:
Een literair geïnteresseerde dame heeft me bedacht met een karakteristieke anekdote over Richardson. Op een dag in zijn landhuis in Northend, waar aan het diner een groot gezelschap samenzat, maakte een jongeman die net uit Parijs was teruggekeerd en Mr. Richardson graag een pleziertje wilde doen, gewag van een bijzonder flatterend feit – dat hij zijn Clarissa had zien liggen op de tafel van ’s konings broer.
Richardson nu had gemerkt dat de genodigden voor een deel onder elkaar aan het babbelen waren, en deed eerst alsof hij het niet gehoord had. Maar even later, toen er een algemene stilte viel en hij dacht dat die vleiende opmerking ten volle gehoord zou worden, richtte hij zich tot de jongeman: ‘Ik meende, Sir, dat u iets aan het zeggen was over ---’ en hij pauzeerde in opgewonden verwachting.
De gentleman was door deze buitensporige ijdelheid geïrriteerd, besloot er niet op in te gaan, en antwoordde met een subtiel plagerig airtje: ‘Een niemendalletje, Sir, het herhalen niet waard.’ Richardson was zichtbaar gekrenkt en zei de rest van de dag geen tien woorden meer. Dr. Johnson was daar ook en leek hier zeer van te genieten.

15 maart 2017

Wetenschap als dienstmaagd van de ideologie


4 maart 2017

Linguïste Elisabeth Wehling [1] onderzoekt hoe politici de kiezers met terminologie manipuleren. Ze zegt hoe rechts-populistische taal werkt – en hoe wij daarmee omgaan. Res Strehle [2] belde met haar.

Res Strehle: Hallo, ik bel u als vertegenwoordiger van de fake-news-afdeling.
Elisabeth Wehling: Zeg dat toch niet!

Strehle: Waarom niet?
Wehling: Als u zich op dat debat nog maar inlaat hebt u al verloren. Voor het rechts-populistische kamp is het een succes als de media het begrip fake news voortdurend herhalen en ingaan op de vraag hoe geloofwaardig en betrouwbaar zij wel zijn. Daarmee hebt u de inhoudelijke aanval van de tegenpartij tot de uwe gemaakt en propageert u dit denkraam [3]  zelf. Hetzelfde geldt overigens voor het debat over de leugenpers [Lügenpresse] in de Duitstalige wereld.

Strehle: Een denkraam staat voor alles wat onderhuids meespeelt als wij een begrip gebruiken?
Wehling: Zo kan men dat inderdaad zeggen. Telkens als u een woord gebruikt of hoort, wordt in uw hoofd een zogenaamd denkraam actief. Dat is het raam dat structuur verleent aan uw ervaring en kennis van de wereld. Als u bijvoorbeeld “muis” hoort, dan activeert uw brein het beeld van een snelle beweging, vaak ook de tegenstelling kat-en-muis, vaagweg ook een grootte en de visuele herinnering van hoe een muis eruitziet. Anders valt een woord niet te begrijpen. Interessant daarbij is, dat als u aansluitend een object wil rangschikken in een orde van vlugheid, u het als snel inschat – want muizen bewegen zich snel. Dat is dan het aandeel van het weten in het geactiveerde denkraam. Zelfs woorden waarvan u denkt dat ze volkomen objectief zijn, brengen een waaier van associaties mee.

Strehle: Wie een fobie heeft voor muizen, zal al gruwen als hij het woord nog maar hoort?
Wehling: Precies. Ook emoties kunt u makkelijk door taal activeren. Bij rechts-populisten horen we vaak over onreinheid, ziekten, parasieten – op zulke begrippen reageren de hersenen onmiddellijk met angst en weerstand. Veel mensen gaan dan automatisch naar rechts, de weg naar conservatieve, autoritaire wereldbeelden.[4]

Strehle: Het rechts-populisme trekt niet enkel de onafhankelijkheid van de media in twijfel, maar ook die van de rechtbanken. Eenzelfde soort framing?
Wehling: De aanval op de rechtbanken is iets anders, maar het effect is hetzelfde. Als Donald Trump over “zogenaamde rechters” spreekt, dan gillen de gevestigde en de sociale media meteen: Hoe durft hij! Dan wordt dat thema breed uitgemeten en bediscussieerd. Op die manier pas prent men in de koppen van het onbesliste midden de idee dat er zoiets als “zogenaamde rechters” bestaat. In die valkuil trapt tegenwoordig een groot deel van de openbare mening, inclusief de democraten.

Strehle: Wat gedaan om aan deze muizenval te ontsnappen?
Wehling: Men moet een eigen denkraam oprichten – tegen de «Lügenpresse» iets als: laten we de waarheid behoeden![5] Met de ontkenning van een denkraam daarentegen, valt niets te winnen, wel integendeel: je bevestigt het.  De media zelf delen in de schuld als wij vandaag een zo hevig debat over ze voeren.

Strehle: In ons spraakgebruik zitten maar twee procent rationele feiten en inzichten, schrijft u. Achtennegentig procent zijn gevoelens, vooroordelen, mythen, geruchten, opwellingen die onbewust meespelen. Hoe heeft men dat kunnen meten?
Wehling: Dat is op dit moment de schatting, berustend op meta-analyses van de psychologische en neurocognitieve gedragsstudie.

Strehle: Klinkt geheimzinnig. Kan het wat concreter?
Wehling: Als wij bijvoorbeeld zeggen dat iemand verbitterd is, of zoet van aard, dan gebruiken wij metaforisch de smaakzin om over de vriendelijkheid van een medemens na te denken en te spreken. Nu kan men bij hersenonderzoek aantonen dat zulke begrippen de desbetreffende schakelkringen in het smaakcentrum activeren, diegene dus die voor de echte smaakgewaarwording instaan.[6]

Strehle: Het komt erop neer dat het nooit enkel om de zaak zelf gaat?
Wehling: Het gaat nooit enkel over feiten. In een debat over milieuvervuiling, werkloosheid of immigratie kunnen wij geen enkel feit verstaan, ook niet een verondersteld objectief feit, zonder dat ons brein een beroep doet op een denkraam. Dat maakt framing zo ongelooflijk belangrijk in politieke debatten. De vraag welk denkkader geactiveerd wordt, zal de beoordeling van begrippen en uitspraken bepalen.

Strehle: Laten we een actueel voorbeeld nemen: immigratie.
Wehling: Dit debat gaat nauwelijks over het aantal immigranten, meestal wordt over de feitelijke toestand gestreden met ideologisch gevormde begrippen. Men gebruikt dan beelden als vluchtelingenstromen, migratiegolven, die automatisch afweer en indamming activeren – er is nauwelijks iemand die het over bescherming of kansen heeft. We hebben hier te maken met een absoluut gebrek aan democratische verscheidenheid.[7] Hetzelfde geldt voor het debat over belastingen en het denkraam belastingdruk.

Strehle: Zwitserland voert het migratiedebat met het begrip “massa-immigratie”, dat uit een burgerinitiatief komt. Is door deze framing de gezindheid dan op voorhand bepaald?
Wehling: Minstens wordt ze sterk beïnvloed door het denkraam. Een massa is niet iets individueels, zij is iets groots, zonder gezicht en gevaarlijk – emotioneel zitten we dan weer bij de watermassa’s en de overstromingen. Dat condenseert dan tot een waargenomen bedreiging. De ideologie daarachter is dat de nationale middelen niet gedeeld mogen worden met mensen die bescherming en uitwegen zoeken. Op zich kun je iets dergelijks aan niets of niemand verwijten, over ideologie valt niet te discussiëren,[8] en wat dat betreft formuleren een aantal mensen zeer duidelijk wat zij denken. Maar wie het belangrijker vindt om mensen beschutting te geven tegen gevaren, empathie voor hun situatie te betonen, ze te integreren – die moet een krachtige eigen beeldspraak scheppen. Anders voeren we geen transparant debat.

Strehle: Angela Merkel probeerde dat met haar «Wir schaffen das!» – politiek bekwam dit haar slecht.
Wehling: De formulering van Angela Merkel was nogal ongelukkig gekozen. Weliswaar had zij een beslissing genomen die op bescherming, solidariteit en empathie berustte, maar zij heeft deze politieke boodschap niet goed in woorden vertaald: iets klaarspelen betekent niet dat je dat ook wil, en evenmin dat je je identificeert met een politiek besluit. Wat je hiermee niet doet, is de waarden van de empathie hooghouden en zeggen: voor ons als mensen is dat moreel belangrijk. Dat was correct geweest, om de speciale uitdaging [9] van het moment aan te gaan.

Strehle: De boodschap over empathie heeft het moeilijker dan een haatboodschap. Als gevolg van de globalisering en de digitale revolutie zien velen in Europa en de VS zichzelf als verliezers. Is als gevolg daarvan het ressentiment hier populairder dan de goede wil?
Wehling: De haatboodschap wordt in sterke mate door ideologie aangedreven. In de VS heeft zowat een klein derde een streng wereldbeeld: autoritaire waarden in de kamp tussen goed en kwaad, sociale voorzorg enkel voor de eigen groep, discipline bijbrengen door beloning en bestraffing, natuurlijke selectie door de marktwerking. Met het gepaste stel waarden en emoties wist de verkiezingsstrategie van Trump dit derde op te halen.

Strehle: Gebruikte hij daarbij inzichten uit het hersenonderzoek?
Wehling: Uit hersenonderzoek weten wij, als tendens, dat mensen minder empathie opbrengen voor wie van henzelf verschillen, bijvoorbeeld een ander huidskleur hebben. Dat kwam Trump van pas. En het ging om de onbesliste kiezers in het midden, vijfentwintig procent ongeveer, die ideologisch flexibel zijn. Zij worden door de framing van beide kanten aangesproken – Trump heeft door zijn taalgebruik zijn punt van strenge, autoritaire waarden duidelijker gebracht dan Clinton haar zorgzame, progressieve boodschap. Daardoor vonden vele twijfelaars bij haar geen aanknopingspunt.[10]

Strehle: Als men zo bewust en empathisch voor een bepaald taalgebruik kiest, dan wordt men verdacht van politieke correctheid, en de afwijzing daarvan lijkt een oorzaak van Trumps overwinning te zijn geweest. Zijn kiezers hielden hem ten goede dat hij zei wat anderen enkel dachten.
Wehling: Ja, maar een strenge autoritaire kijk op de wereld onder woorden brengen is niet per se wenselijk. De taal van Trump berust hierop dat men mensen op grond van hun kenmerken indeelt en afwijst, omdat men ervan uitgaat dat sommige mensen beter zijn dan anderen. Dat heet sociale dominantie, behoort tot de gestrenge ideologie, en zij kan evengoed op vrouwen slaan als op mindervaliden, homoseksuelen, Mexicanen of armen. Op het spelletje dat het propageren van deze kijk op de wereld inhoudt ‘want zo denkt toch iedereen’, mag men niet ingaan.[11]

Strehle: Wat beveelt u dan aan, om bewust met taal om te gaan?
Wehling: Zeggen wat men denkt.[12] Tegenover Trumps framing van strijd en uitsluiting een empathisch denkraam plaatsen ­– dan ben je een zorgzame, progressieve mens.[13]
____________


[1] Duitse (Hamburgse) onderzoekster; doceert neuro-linguïstiek en -cognitie aan de UCLA (Berkeley).
[2] De Zwitser Andreas «Res» Strehle is journalist en auteur; voormalig chefredacteur van de Tages-Anzeiger.
[3] Grote schrijvers verrijken hun taal met nuttige nieuwe woorden. In dit geval Marten Toonder (1912-2005), maar het Nederlands (en het Duits) hebben nu eenmaal het Engelse framing en frame overgenomen.
[4] Hier lijken we het strenge pad van de wetenschap te verlaten.
[5] Lijkt me niet zo’n geweldige suggestie.
[6] Het is niet verboden om hier je meta-schouders op te halen, of je meta-wenkbrauwen te fronsen.
[7] Het zal in Duitsland dan anders zijn geweest, maar hier hoorde je aanvankelijk alleen over hoogopgeleiden, en over kindjes. Goed, dat was naderhand niet vol te houden, maar in dezen kan niemand onze journalisten kwade wil of nalatigheid toedichten.
[8] Iets als smaken en kleuren dus. Wehling moet een paar Duitse auteurs gemist hebben.
[9] “Uitdaging” is natuurlijk ook een frame-woordje, afkomstig uit het managerstaaltje.
[10] Kijk, dat is nu eens wetenschap zie! Achteraf gezien toch, want vóór de uitslag bekend was meende Wehling nog dat de zorgzame Hillary Clinton het zou halen. Maar misschien zijn die cijfers over één derde en 25% wetenschappelijk niet helemaal juist, dat kan ook.
[11] Niet ingaan op dingen lijkt wel tot de strenge neuro-linguïstisch-cognitieve wetenschap te behoren.
[12] Sterke suggestie deze keer.
[13] Zoals Hillary dus... Ingrid Riocreux zei op FaceBook: «Elle dit la même chose que moi, mais en blonde.» Ze zegt hetzelfde als ik, als blondje dan ...ik vermoed daar enige spot achter, of liever: in mijn hersenen werd dat centrum geactiveerd.


14 maart 2017

Populisme houdt vast aan ankerpunten waar de elites verachting voor hebben


journalist: Vianney Passot
gepubliceerd op 3 maart

Na de Brexit en de verkiezing van Donald Trump, met binnen enkele dagen verkiezingen in Nederland, en met de Franse presidentsverkiezing binnen een paar maanden, maakt Chantal Delsol voor FigaroVox een stand van zaken op wat betreft de positie van de “populistische” partijen in Frankrijk en de wereld.

FigaroVox: In januari 2015 publiceerde u het boek «Populisme: les demeurés de l'histoire» [Populisme: de achterlijken van de geschiedenis] en daarin legt u uit dat in de westerse democratieën populistische stromingen beschimpt worden. Dat was nog voor de Brexit en voor de verkiezing van Donald Trump. Hebben de populisten nu revanche genomen op de geschiedenis?
Chantal Delsol: “Revanche”, dat weet ik zo niet, maar in elk geval gaat het om stromingen die constant beschimpt en door het slijk gehaald worden, en erin slagen om verkiezingen te winnen zonder enige steun van de gevestigde instellingen. Men mag niet vergeten dat Trump zowat alle media tegen zich had, en in heel Europa was dat min of meer hetzelfde bij de Brexit. De commentatoren denken onvoldoende na over het volgende bijzonder merkwaardige fenomeen: in een democratie wordt een hele stroming, die sterk genoeg staat om overwinningen te behalen achteloos weggezet als een gevaar, of in het beste geval als een soort kwalijke grap. Het statuut van deze stromingen doet zeer vreemd aan: aan de ene kant heeft men geen argumenten om ze wettelijk te verbieden (democratieën kunnen met recht en reden antidemocratische bewegingen verbieden, nazi’s of communisten bijvoorbeeld) maar tegelijk beschimpt men hen met zo'n geweld dat zij geen recht krijgen op het statuut van democratische partner: diegene met wie men in debat treedt. Het democratische debat mikt enkel op hun uitsluiting, soms op een volslagen hysterische manier. Waarom precies zegt men niet, men volstaat ermee hen over één kam te scheren met “de somberste bladzijden uit onze geschiedenis”! Ik ben ervan overtuigd dat er onuitgesproken drijfveren zitten achter dit beschamende verstoppertjesspel. In hoofdzaak het feit dat deze stromingen gehecht blijven aan ankerpunten (vaderland, familie) waar de universalistische en kosmopolitische elites die het in het Westen voor het zeggen hebben, verachting voor hebben.

FigaroVox: De term “populisme” komt in elk geval meer en meer voor in de pers. Is die term nog altijd even negatief, of wordt hij langzamerhand banaal?
Chantal Delsol: Zolang niemand zich de term populist toe-eigent en hem voor zijn rekening neemt, zolang niemand zegt “ik ben een populist”, zolang zal de term een belediging blijven. Enkel diegenen die hem gebruiken om te schimpen, nemen hem in de mond. Mogelijk zal de term de komende jaren anders gebruikt worden, want de betekenis van woorden evolueert. Maar voor het moment roept hij het beeld op van een vergiftige relatie met het volk, waarvan men de gemoedsopwellingen en slechte neigingen benut – en nu het niet langer naar links neigt, heeft het volk alleen nog gemoedsopwellingen en slechte neigingen. Met dit doel heeft men zelfs een complete en tamelijk schandelijke grammatica bedacht, zoals «la post-vérité». [post-truth, de waarheid voorbij]

FigaroVox: In Frankrijk zien we dat in de aanloop naar de presidentsverkiezingen het Front National zeer hoog staat in de peilingen, en François Fillon lijkt een kandidaat van het volk te willen worden, tegen de elites. Hij komt nochtans uit een partij die het systeem nooit heeft aangevochten. Kan het hem dan toch lukken om de aanhangers van het “populisme” te verleiden, of gaat zoiets noodzakelijk gepaard met de verwerping van de gevestigde instellingen?
Chantal Delsol: Wat men populisme noemt laat zich niet als een verwerping van de instellingen definiëren, maar als een verwerping van de instellingen in de mate dat deze al te zeer (denkt men) en in elk opzicht het universalisme en het mondialisme bevorderen.
[een aantal details over Fillon hier, doen er niet langer toe aangezien de man geen kans meer maakt]
Politiek is geen moraal, ook al moet zij er rekening mee houden, zoals elke menselijke activiteit. Als Fillon dus een beroep doet op het “volk”, zoals laatst op Trocadéro, dan is dat omdat hij weet dat de argumenten van zijn aanhangers maar heel weinig weerklank vinden in de media, behalve als het is om erop te schelden (het volstaat om even te kijken naar de hysterische media die we de laatste maand hebben meegemaakt). Men zou haast denken dat die aanhangers niet bestaan, want er wordt niet over gerept! Je moet ze al fysiek samenbrengen om hun bestaan aan te tonen.

FigaroVox: In uw boek onderstreept u heel vaak dat aan diegenen die men als populisten bestempelt, “de elites niet met argumenten antwoorden, maar met minachting.” Zullen de gebruikers ervan hun procedé moeten herbekijken, nu de zogenaamde “populisten” aan de macht komen, zoals in de Verenigde Staten, of er niet ver meer vandaan staan, zoals in Frankrijk Marine Le Pen nooit hoger stond in de peilingen?
Chantal Delsol: We kunnen vaststellen dat wat Marine Le Pen betreft, het procedé dat enkel op minachting berust al is herzien en bijgesteld. In de huidige campagne wordt zij geïnviteerd door journalisten die hebben aanvaard om met argumenten te debatteren – het volstaat om uitzendingen van tien jaar geleden te bekijken om de vooruitgang te zien. Het is een teken van wat men gewend is hun dediabolisering te noemen.
Maar het dient gezegd dat het onbehouwen karakter van de leiders van deze strekkingen ook een grote rol heeft gespeeld in de ontvangst die men hen heeft bereid. Heeft iemand de indruk dat er met Trump echt te debatteren valt? Het lijkt toch alsof die man zelf puur op slogans en beledigingen drijft, wat misschien een verklaring kan zijn voor de behandeling die journalisten hem reserveren – maar die twee dingen houden elkaar in stand. De leiders van de zogeheten populistische partijen zijn nu eens weinig opgevoed (Trump), of anders weer blijven steken in een antieke brutaliteit (Jean-Marie Le Pen) die in deze tijd van democratische zachtmoedigheid inacceptabel geworden is. Men moet ook erkennen dat deze zo verachte gedachtestromingen geen intellectuele elite hebben, en dat is onvermijdelijk zo want alles wat zij aanraken valt ten prooi aan ostracisme – een academicus die met Marine Le Pen zou meegaan, verliest meteen zijn statuut, zijn vakgroep, zijn uitgevers, en bijgevolg zou hij niet langer nog academicus zijn.

FigaroVox: U zegt dat de haat tegen populisme en het misprijzen voor de lagere klassen nauw verbonden zijn. Waarom?
Chantal Delsol: Er heeft zich de laatste dertig jaar een belangrijke transformatie voorgedaan. Tot aan de val van de Berlijnse muur, was wat men “het volk” noemt, te weten de categorie van de bescheiden inkomens, grotendeels links, want het werd nog altijd, zij het alsmaar minder aangetrokken door de hoop die uitging van communisme en socialisme. Rond de eeuwwisseling hebben de zaken langzamerhand een andere wending genomen. Ontgoocheld door de val van het communisme en de mislukkingen van links aan de macht, is dat bescheiden Frankrijk beetje bij beetje gaan overhellen naar rechts, in het bijzonder naar extreemrechts. Grote verwondering moet dat niet baren want tenslotte, hoe bescheidener mensen zijn, des te meer houden zij vast aan hun wortels – dat is trouwens altijd een der paradoxen van het socialisme geweest, die ambitie om bevolkingsklassen die dit grondig verwerpen het universalisme te laten omarmen. Vandaag hebben wij bijvoorbeeld dat Frankrijk “van de periferie” zoals men zegt, dat leeft in kleine leeggelopen stadjes, en dat ziet dat zijn elite zich enkel nog interesseert voor wat er in Brussel of Berlijn omgaat, en dat daardoor begrijpelijkerwijze naar rechts en uiterst rechts overstapt om zijn verankering te verdedigen. Wat daarop volgt hebben we al gezien ten tijde van Lenin. Deze steunde op het volk dat hij zich als universalistisch gezind voorstelde, en de wereldrevolutie genegen. Toen hij merkte dat de arbeiders voor alles hun syndicale belangen verdedigden, heeft hij ze aan zijn dictatuur onderworpen. In onze dagen hebben de elites het volk begrepen en bemind zolang dit het universele socialisme omarmde, maar zodra het zijn grondgebied en zijn plaatselijke gemeenschappen begon te verdedigen zijn ze het beginnen te beschimpen (onze hedendaagse vorm van ostracisme).
Kijk eens aan hoezeer de Europese elites de volkeren minachten. Zodra een kiesuitslag hen niet bevalt, wijzen ze deze af en revoceren hem met allerlei slinkse en beschamende middelen. Ik vind het ijzingwekkend te zien hoe de verdediging van de Europese instellingen tot een klassenstrijd is verworden.

FigaroVox: Als François Fillon bij de tweede ronde zou ontbreken, wat zou ons dat dan leren over de Franse samenleving? Wordt die dan opgedeeld onder de voorwaarden van het Front National, tussen onverzoenlijke “populisten” en “mondialisten”?
Chantal Delsol: Dat zou inderdaad inhouden dat er geen redelijke manier meer bestaat om aan de verzuchting naar ankerpunten gehoor te geven. En al even belangrijk, om de structuurhervormingen door te voeren waaraan we uiterst dringend nood hebben (in dit verband wil ik eraan herinneren dat de aanhangers van Fillon in de eerste plaats diegenen zijn die hun kinderen geen land willen nalaten dat verzinkt in zware schuld en weldra in armoede). Het land zou dan even verdeeld zijn als de Verenigde Staten na de jongste presidentsverkiezing: Clinton en Trump waren elk voor zich ware karikaturen van hun kamp, dat van de “mondialisten” en de “populisten”. Hier zien we hetzelfde want Macron is de karikatuur van de universalistische en compleet ontwortelde sciences-po [iemand die politicologie, marketing, communicatie, human resources of aanverwante studeerde, bijvoorbeeld aan het gerenommeerde Institut d'études politiques de Paris, of zoals Macron, de ENA, École nationale d'administration waar veel politici en managers vandaan komen: les énarques], en Marine Le Pen is de karikatuur van geworteldheid in een grotesk simplistische gedaante. Ik meen nochtans niet dat het hier zal lopen zoals in de VS. Een zwakte van mij is het om te denken dat de Fransen “geciviliseerder” zijn dan Amerikanen, want ouder en meer op vormelijkheid gesteld. Dat kan hen overigens tot allerlei soorten van hypocrisie brengen, maar om eerlijk te zijn, ik zie geen meerderheid van de Fransen, of toch vandaag niet, voor Trump stemmen – en de familie Le Pen mist duidelijk de distinctie waar Fransen zo dol op zijn.
Als het Macron en Le Pen mocht worden, dan denk ik dat eerstgenoemde de grote overwinnaar wordt, omgeven met de stralenkrans van alle theatrale en pompeuze beloften van het zegevierende mondialisme. Maar ik geloof eerder dat de peilingen die men ons opdient evenveel waard zijn als die welke voorafgingen aan Trump, de Brexit, of de voorverkiezingen bij rechts – niet veel met andere woorden: elke stroming die opkomt voor verankering wordt systematisch ondergewaardeerd. En precies deze permanente onderwaardering zou een probleem moeten vormen voor onze elites, als zij democraten waren die naam waardig.
___________
Chantal Delsol doceert filosofie en ideeëngeschiedenis, is lid van het Institut de France, stichtte het Institut Hannah Arendt, en publiceerde recent Le Populisme et les Demeurés de l'Histoire (éd. Le Rocher, 2015) en La haine du monde. Totalitarismes et postmodernité (éd. Cerf, 2016).

12 maart 2017

Volstaat één pistool, of moeten het er twee zijn?


James Boswell, The Life of Dr. Johnson; A.D. 1779 Ætat 70

Vrijdag 16 april woonde ik het proces bij van de ongelukkige Mr Hackman, die in een opwelling van dolzinnige jaloerse liefde juffrouw Ray had neergeschoten, het liefje van een edelman. Johnson, in wiens gezelschap ik vandaag dineerde, was bijzonder geïnteresseerd in het verslag dat ik hiervan deed, en vooral in het gebed dat Hackman schreef en waarin die de hemel om vergiffenis vroeg. Op een plechtige en gloedvolle toon zei hij: ‘Ik hoop dat hij vergiffenis mag vinden.’ […]

Verdergaand over Hackman hield Johnson vol, zoals ook rechter Blackstone dat had gedaan, dat het feit dat hij zich van twee pistolen had voorzien bewees dat het zijn bedoeling was geweest om twee mensen neer te schieten. Mr. Beauclerk zei: ‘Nee, want elke verstandige mens die zichzelf wil neerschieten voorziet zich van twee pistolen, om zeker te zijn dat hij de zaak meteen kan afmaken. De kok van Lord ––– schoot zichzelf met één pistool neer, en in grote agonie overleefde hij dit nog tien dagen. De heer –––, die van geboterde muffins hield maar er geen dorst te eten omdat zijn maag dat niet verdroeg, besloot zich met het pistool van kant te maken. Hij ontbeet nu en at drie geboterde muffins voor hij zichzelf neerschoot, in de wetenschap dat geen indigestie hem nog kon deren. Hij had twee geladen pistolen. Eén ervan vond men op de tafel naast hem, nadat hij zich met het andere had omgebracht.’ ‘Wel,’ zei Johnson met een triomfantelijk airtje, ‘zo ziet u wel dat één pistool hier volstond.’ Beauclerk repliceerde fijntjes: ‘Omdat toevallig het hem ook afmaakte.’

(1958, J.M. Dent & Sons Ltd. – Everyman’s Library n°2, pp. 272-3)

Bij het diner vloeide de wijn rijkelijk (Johnson zelf was een waterdrinker, maar de andere disgenoten niet) en er ontstond een woordenwisseling die dreigde te ontaarden. Maar al vielen er kwetsende termen, tot een duel is het niet gekomen. De zaak werd kort daarop bijgelegd.

28 februari 2017

Is een hoofdartikel noodzakelijk een zedenpreekje?


(het is niet omdat we het zo gewoon zijn dat het ook een natuurwet is)

Het maandblad Le Monde Diplomatique geniet een status zoals maar heel weinig bladen. Directeur daar is al bijna tien jaar Serge Halimi, een linkse journalist die van zijn oriëntering geen geheim maakt. Voor zijn tijd bij Le Monde Diplomatique was Halimi professor aan de université Paris VIII  (had gedoctoreerd in Berkeley en zou zich dus met reden Amerikaspecialist mogen noemen). Verder was hij medeauteur van een boek met de sprekende titel «L'Opinion, ça se travaille» (Agone, 2000 ~ De publieke opinie is er om bewerkt te worden), over het nepnieuws dat de gevestigde media verspreidden ten tijde van de oorlog in Kosovo, en de smerige en kruiperige rol die zij toen speelden.
Mainstreamjournalisten vandaag spreken graag over fake news, en daar doen anderen wel aan maar zijzelf niet. Helaas, en in mensentaal: van nepnieuws zijn ze blijkbaar nooit vies geweest.

Maar wat ik wilde vertellen was iets anders. Halimi schrijft altijd het hoofdartikel natuurlijk, en vaak neemt hij geen blad voor de mond. In het maartnummer zeker niet:
« L’expérience est une école sévère, mais aucune autre n’instruira les imbéciles. » Mort en 1790, Benjamin Franklin, qui inventa le paratonnerre, ne pouvait prévoir l’existence de l’Union européenne… Celle dont les expériences n’ont aucun effet sur l’instruction.
[“De ervaring is een strenge leerschool, maar geen andere kan imbecielen iets bijbrengen.” In 1790 is Benjamin Franklin gestorven, en hij had de bliksemafleider wel uitgevonden maar heeft nooit het bestaan van de Europese Unie kunnen voorzien... daar waar ervaring geen enkel effect heeft op het leerproces.]
Een aanhef naar mijn hart, en Halimi mag weer zeven keer dingen schrijven die mij misschien minder bevallen. Ik raad iedereen aan, in het bijzonder vanzelfsprekend president Herman Van Rompuy, om ook het vervolg te lezen. Halimi is grappig, en er zal in Rhode-Saint-Genèse wel een kiosk zijn waar het blad te koop is vanaf morgen.
Trouwens, nog op hun eerste pagina hebben ze een artikel van een Californische prof, Perry Anderson, en die begint zo: Pas de flonflons pour célébrer le soixantième anniversaire du traité de Rome et du Marché commun, le 25 mars. La bannière européenne a perdu son éclat, tant les politiques de l’Union se sont révélées désastreuses.
[Geen feestgedreun bij de zestigste verjaardag van het Verdrag van Rome de 25ste maart. Het Europese vaandel is fel verschoten, zo desastreus zijn de beleidsingrepen van de Unie gebleken.]

Maar we zijn geen onmensen, en dat artikel mag onze Herman een paar dagen links laten liggen.

27 februari 2017

Over nepnieuws, anno domini 1778


Behalve eigen ervaring kan niets de menigvuldigheid van valse berichtgeving bewijzen, en geen mens zou zich kunnen voorstellen dat er zoveel ongegronde verklaringen worden verspreid, zoals elke bekende figuur die over zichzelf te horen krijgt. Sommige mensen vertellen hun mening door, als gold het iets dat zij weten; sommige mensen, slordig uit gewoonte en met een verward geheugen, schrijven aan de ene toe wat bij een andere hoort; en dan zijn er die gedachteloos en zorgeloos maar doorbabbelen. Enkele mensen volstaan al om valse berichten te verspreiden die vervolgens door anderen in hun onschuld doorgegeven worden.

in: James Boswell, The Life of Dr. Johnson,
1958, J.M. Dent & Sons Ltd. – Everyman’s Library n°2, A.D. 1778, p. 167.

23 februari 2017

La danse des canards



Die media met hun nepnieuws
doen niet veel meer dan kwekken
de lezer kijker luisteraar
moet thuis maar dubbeltsjekken



15 februari 2017

Meststoffen stinken, maar zijn wel nuttig


Iedereen die Frans verstaat zal zijn conclusies zelf kunnen trekken, en de anderen moeten maar afgaan op de leugenachtige, zij het goedbedoelde fantasietjes in de Vlaamse pers, die blijkbaar geen mensen in huis heeft om valse Belgaberichten en -vertalingen te controleren. 

Is dit een steunbetuiging aan Jean-Marie Le Pen bij zijn komend proces wegens "antisemitisme", zoals jullie goedmenende journalisten nu zullen roepen? Nee, sukkelaars, dit is een aanval op jullie schandalige, maar gelukkig ook ridicule gewoonte om alternatieve, constructieve, met andere woorden verzonnen en tenslotte naïeve berichtjes te verspreiden. En opgelet: we gaan ver terug in de tijd, weliswaar niet tot in de jaren dertig, maar toch volle drie jaar terug. Dat moeten jullie zeker aankunnen.

En nu Franse les! Woordjes leren, vocabulaire, beetje grammatica ook, grammaire, en dan context, als dat nog binnen jullie begripsvermogen valt. En jullie kennen het verdict na een buis: het watervalsysteem, waar jullie zo graag over schrijven.


Marie d’Herbais de Thun : Guy Bedos ainsi que Madonna, la chanteuse Madonna, un petit peu has been, mais enfin, encore vivante, n’ont pas été de main morte quant à des insultes et des critiques vis-à-vis de Marine Le Pen. Vous avez quelque chose à leur répondre ?
Jean-Marie Le Pen : Vous savez, oui, pour qu’il y ait …pour avoir de belles roses, vous savez qu’il est nécessaire de mettre du purin aux pieds. Alors le vieux Bidoche, et la vieille Maldonna, tous les deux ont participé à cet exercice …rural en quelque sorte. Mais je parlerai d’eux à la fin de l’émission, si vous le voulez bien.



Marie d’Herbais de Thun : Alors, vous avez deux pauv’cons de la semaine, Jean-Marie Le Pen?*
Jean-Marie Le Pen: Aah, oui, aujourd’hui on va, on va les pacser.** Parce qu'il y a un homme et une femme, que j’ai évoqués tout à l’heure d’ailleurs, des vedettes, heu, vieillissantes mais qui essayent toujours de se rappeler au bon souvenir des médias par une technique qui est bien connue : il suffit d’apparaître comme un ennemi du fascisme et du nazisme. Alors on tire un peu à vue, alors monsieur Bedoche, lui, il a comparé Marine Le Pen à Hitler, et quant à Maldonna, elle a elle a… qui avait déjà mis une croix gammée dans un de ses spectacles sur le visage de Marine, sur le front de Marine. Alors là, elle l’a accusée à la suite de la victoire du Front National, d’être fasciste etcetera. Alors, on va les pacser et ce sera, ce seront un couple de pauv’cons.
M.d'H: Oui, mais il y a aussi tous ceux qui avaient juré après la victoire du Front National, en cas d'une victoire du Front National, de prendre leurs cliques et leurs claques et de quitter la France. Apparemment, c’est toujours passé.
J-M LP: Ah, oui, c’est monsieur Noah, ça.
M.d'H: Oui.
J-M LP: Ce monsieur Noah a dit de s’être engagé à ne plus chanter en France si le Front National arrivait en tête de l’élection. Cochon qui s’en dédit !
M.d'H: Monsieur Bruel aussi.
J-M LP: Ah oui, ah oui, ça ne m’étonne pas pour un...
M.d'H: Oui, ça n’a…
J-M LP: Écoutez, on fera une fournée la prochaine fois.



_________
* Normaal is er maar één con, deze keer twee.
** PACS: pacte civil de solidarité, samenlevingscontract.

14 februari 2017

Vertaalproblemen bij Belga


Er lijkt me ruimte te komen voor automatisering van de reguliere journalistiek. Velen zullen dat spijtig vinden, maar in nogal wat industrietakken is het niet anders en eenvoudige taakjes kunnen nu eenmaal goedkoper en sneller door een robot verricht worden. Vaak even goed ook nog, en af en toe zelfs beter. Dat is geen plezierige gedachte voor de menselijke journalist.

We nemen even de proef, en laten het zinnetje: “Moeten we dan een solidariteitsactie op touw zetten?” naar het Frans vertalen door de Googlemachine. Die levert ons bliksemsnel: «Faut-il lancer une action de solidarité?» Uitstekend, en ik denk niet dat onze menselijke journalist dit kan verbeteren.
Ook in de omgekeerde richting, van het Frans naar het Nederlands, werkt het machientje soms goed, want een zin als “Moeten we beginnen een actie van solidariteit?” zou zonder meer uit de mond van bijvoorbeeld Charles Michel of Beatrice Delvaux of om het even welke parfait bilingue kunnen komen.

Nederlands is de taal van een goede twintig miljoen mensen als ik mij niet vergis, maar voor Google is dat een klein getal. Met de echt grote talen loopt de machine gesmeerder. Frans-Engels gaat soms zelfs verbluffend goed.

Een uitspraak als «Ah, ça ne m'étonne pas! Écoutez, on fera une fournée la prochaine fois.» rolt er direct perfect uit : "Ah, that does not surprise me! Listen, we'll make a batch next time." Dat was ook de vertaling die we lazen in The Guardian, toen een jaar of drie geleden vader Le Pen al lachend die uitspraak had gedaan, waar hij nu in volle kiescampagne voor vervolgd zal worden.

Maar in het Nederlands laat de Googlemachine de vertalende – en ik neem aan menselijke – Belgajournalist lelijk in de steek: “O, dat maakt me niet te verrassen! Luister, een partij de volgende keer zullen we.”
Alles komt nog min of meer op zijn pootjes terecht gelukkig, want de Belgaman/vrouw/x verbetert deze mechanische collega: “De volgende keer bouwen we wel weer een oven.” 

U zult zeggen: maar dat is compleet fantaisistisch! Ja, dat is helaas zo, al klinkt de zin toch natuurlijker, dat zal iedereen hem/haar/x toegeven. Die “weer” inderdaad zien we niet in het Frans. Anderzijds had de machine het woord “fournée” heel goed begrepen en vertaald door “partij” ...maar bracht de menselijke journalist op eigen houtje een zogenaamde Verschlimmbesserung aan.

Bij de Morgen namen ze die krukkige Belgavertaling machinaal over, copy/paste. Misschien is de automatisering daar al ver doorgedrongen, en is er bijgevolg geen sprake van journalistieke vooringenomenheid of goedmenendheid of stupiditeit, zoals bij ons nationale persagentschap.

Plezierig is nu om dat Belga/De Morgen-zinnetje op zijn beurt eens door onze machine te halen. In het Engels is er nauwelijks een probleem: “The next time we also build an oven again.”, en in het Frans hapert ze ook maar even, en gaat dan door: «La prochaine fois que nous construisons également un four à nouveau.»

Volgende keer kunnen die journalisten de machine toch beter in de hoek laten staan, en hun juffrouw van het vijfde studiejaar aanspreken als ze vertaalproblemen hebben.

11 februari 2017

Een toneelstuk met een bewogen geschiedenis



Er bestaat plezieriger lectuur dan een toneelstuk van die steriele Voltaire, maar soms moet het. En ook Cioran kan wel eens een zaagje spannen – iedereen mag mij tegenspreken die zijn dagboeknotities, zijn Cahiers 1957-1972 (Gallimard, 1997) uitgelezen heeft, want ikzelf ben nog maar aan bladzijde 428 van de duizend, al geef ik niet op want soms zijn ze ook subliem.

Maar! de inleiding (Généalogie du Fanatisme, vijf bladzijden maar) die Cioran schreef bij Mahomet ou le Fanatisme van Voltaire, die is prachtig en meer dan prachtig. Zo mooi geschreven dat een vertaling ervan nooit kan zeggen wat hij zegt. Een dichter moet dat werkje maar eens opknappen, en zeker niet zijn hersenen vermoeien met bijvoorbeeld een berijmde vertaling van Voltaire zijn toneelstuk ...al staan ook daar wel mooie dingen in, als proza dan. Een kleine proeve, uit het eerste bedrijf: Phanor, een senator van Mekka, spreekt tot de sjeik Zopire.

Tegen zijn aanslagen kon u eertijds ongestraft het heilige zwaard der wet nog heffen, en van de brand van een heilige oorlog de eerste vonk onder je voet verpletten.
Als burger leek Mohammed in uw ogen enkel een obscure nieuwlichter, een gemene oproerkraaier. Vandaag is hij een vorst, hij triomfeert, hij heerst: als bedrieger in Mekka en profeet in Medina, weet hij bij dertig stammen verering te wekken voor precies dezelfde misdrijven die wij hier verachten.


Contre ses attentats vous pouviez autrefois
lever impunément le fer sacré des lois,
et des embrasements d'une guerre immortelle
étouffer sous vos pieds la première étincelle.
Mahomet citoyen ne parut à vos yeux
qu'un novateur obscur, un vil séditieux:
aujourd'hui, c'est un prince; il triomphe, il domine;
imposteur à la Mecque, et prophète à Médine,
il sait faire adorer à trente nations
tous ces mêmes forfaits qu'ici nous détestons.


9 februari 2017

Heeft Jean-Baptiste Botul echt bestaan?


Omdat de boog niet altijd gespannen mag staan las ik daarnet een grappig boekje van de journalist Frédéric Pagès, verschenen in 2015 bij Libella in Parijs. Pagès schrijft voor Le Canard Enchaîné, het blad dat François Fillon uit zijn dromen heeft gewekt, en hij heeft ook een reeks boekjes gewijd aan de filosoof Jean-Baptiste Botul, die volgens sommigen evenwel nooit bestaan zou hebben.
Hieronder dient hij deze ongelovigen striemend van antwoord.

Né le 15 août 1896 à Lairière dans le département de l’Aude, de parents inconnus et dans l’indifférence générale, Botul est mort le 15 août 1947 dans le même village et dans la même indifférence. De lui, nous n’avons aucun livre, même ébauché, puisqu’il avait décidé d’être un philosophe de tradition orale. Sa plume est restée sèche, son encrier vide, sa feuille vierge. Les ouvrages que vous trouvez en librairie sous son nom n’ont pourtant rien d’apocryphe : ce sont des transcriptions de ses propos, vous pouvez donc les acheter.
Il n’en faut pas plus pour que certains esprits forts aient émis des doutes sur l’existence de notre philosophe. À cette question récurrente, je répondrai par un argument dirimant : si Botul était une invention sortie d’un ou plusieurs cerveaux malsains, croyez-vous qu’un homme aussi fin et éclairé que Bernard-Henri Lévy l’eût cité dans un de ces livres ? C’est pourtant ce qui arriva en février 2010, quand BHL cita Botul entre Louis Althusser en Maurice Merleau-Ponty.*  L’affaire fit grand bruit et faillit perturber la quête placide que mènent, depuis 1996, date de leur agrégation fondatrice, les « Amis de Jean-Baptiste Botul ». Mis à part ce coup de tonnerre médiatique, il faut s’y résigner : autant nous savons beaucoup de choses sur BHL, autant nous en savons peu sur Botul.
_______
* Bernard-Henri Lévy, De la guerre en philosophie, Paris, Grasset, 2010, p.122.

Den boghe en magh niet altijdt ghespannen staen:
Want soo soude hy sijn kracht verliesen.
Soo moet alle dinghen met maete gaen,
Want heete wateren lichst vervriesen.

5 februari 2017

De "deplorables" van de achttiende eeuw


In die term deplorables van Hillary Clinton zit toch een bepaalde empathie (om ook eens die modeterm te gebruiken), maar in de achttiende eeuw noemde men slechte kiezers nog gewoon the dregs of the people.


Reflections
on
The Revolution in France
and on the Proceedings in Certain Societies in London Relative to that Event
in a Letter Intended to have been sent to a Gentleman in Paris
Edmund Burke
[1790]

In de gezaghebbende uitgave van Connor Cruise O'Brien (1986, Penguin Classics) staat wat hier volgt op de pagina's 145-146


Ik weet wel dat men ons voor een saai, futloos volkje houdt, dat lijdzaam is geworden omdat het zijn situatie wel draaglijk vindt, en dat aan zijn mediocre vrijheid juist een beletsel heeft om deze ooit ten volle te bereiken. Uw leiders in Frankrijk deden eerst nog alsof ze het Britse stelsel bewonderden, bijna adoreerden. Maar eens zij veld hadden gewonnen, keken ze er met diepe minachting op neer. Bij ons hier hebben de vrienden van uw Assemblée Nationale een al even lage opinie over wat eertijds nog als de trots van hun vaderland werd beschouwd.
De Revolution Society* is tot de bevinding gekomen dat de Engelse natie in onvrijheid leeft. Onze onevenredige vertegenwoordiging is, daar zijn ze van overtuigd, ‘een zo grof en tastbaar defect van ons bestel, dat dit hooguit in formele zin of in theorie voortreffelijk kan heten.’ En verder vinden zij dat niet enkel in een koninkrijk een wettelijk geregelde volksvertegenwoordiging de enige basis vormt voor elke constitutionele vrijheid, maar dat dit ook zo is voor ‘elk legitiem bestuur, en dat bij gebreke hiervan regeren gewoon neerkomt op usurperen’ – en dat ‘als de vertegenwoordiging maar partieel is, het koninkrijk enkel partiële vrijheid kent; en als ze extreem partieel is, er alleen een schijn van vrijheid bestaat; en indien niet enkel extreem partieel maar nog eens valselijk verkozen, dan wordt ze een hinderpaal.’
Dr. Price** beschouwt deze inadequate vertegenwoordiging als onze fundamentele reden voor misnoegdheid. En van deze valse schijnvertegenwoordiging hoopt hij dat ze nog niet haar volmaakte en diepste punt van verdorvenheid heeft bereikt. Hij vreest dat ‘er niets ondernomen zal worden om ons vooruit te helpen op weg naar die onontbeerlijke zegening, tot een of ander grof machtsmisbruik onze verontwaardiging oproept, of anders een grote ramp ons flink schrik aanjaagt, of wie weet, totdat de zuivere en evenredige vertegenwoordiging in andere landen schaamte bij ons opwekt, omdat wij met onze afschaduwing daarvan uitgelachen worden.’ En hij voegt hier een noot aan toe, in deze bewoordingen: ‘Een volksvertegenwoordiging, goeddeels gekozen door het Bestuur van de belastingen, en verder door een paar duizenden uit de droesem van de bevolking die voor hun stem gewoonlijk betaald worden.’
Hier zult u wel glimlachen bij de rechtlijnigheid van die democraten die in een onbewaakt ogenblik de meer bescheiden lagen van de gemeenschap met de grootste minachting bejegenen, en tegelijk voorwenden ervoor te zullen zorgen dat alle macht bij hen zal berusten.
________


* De Revolution Society was gesticht in 1788, ter herdenking van de Glorious Revolution een eeuw eerder – de term ‘revolutie’ had in Engeland toen nog een gunstige klank. Na de val van de Bastille stuurde de voorzitter van de Society, Charles Mahon, third Earl Stanhope, een felicitatiebrief aan de revolutionairen.
** Richard Price (1723-1791), dissidente presbyteriaanse predikant, voorstander van de Amerikaanse en Franse revoluties. Zijn A Discourse on the Love of Our Country van 4 november 1789, was voor Burke reden te meer voor het schrijven van de Reflections.

2 februari 2017

Verstoorde eendracht, in 1776


Het zou onkies zijn om in deze tijden van communautaire godsvrede het lelijke woord transfers te laten vallen. Niemand wil de loop van het rustig kabbelende Belgische beekje verstoren, en ik ook niet. Dat verfoeilijke wij-zij-denken ook altijd!
Maar nu viel in The Life of Dr Johnson mijn oog op een bladzijde die me vreemd genoeg bekend voorkwam, terwijl het jaar 1776 toch al ver achter ons ligt.
Door die tijdsafstand zal hopelijk niemand zich gekwetst voelen als ik die enkele paragrafen toch maar vertaal:

Het wetsvoorstel van Lord Mountstuart, tot oprichting van een Schots garnizoen, ter ondersteuning waarvan his Lordship zo bekwaam heeft gepleit in het House of Commons, ging nu zowat overal over de tongen.
JOHNSON. ‘Aangezien Schotland met zijn grondbelasting zo weinig bijdraagt tot het gezamenlijke budget van de natie, hoort het geen eigen strijdmacht te hebben die gespijsd wordt uit de algemene middelen, of men moest er al van uitgaan dat het in het algemeen belang was dat Schotland voor een buitenlandse invasie werd behoed, terwijl geen mens zal denken dat ze kan plaatshebben. Welke vijand immers zou Schotland binnenvallen, waar niets te rapen valt? Nee mijnheer, nu de Schotten niet langer de bij hen gelegerde Engelse soldaten hun soldij ter plaatse zien spenderen, door de grote aantallen troepen die naar het buitenland gestuurd worden, proberen ze op een andere manier geld los te weken, door voor een eigen garnizoen te laten betalen. Als zij bevreesd zijn, en in alle ernst een strijdmacht wensen voor hun verdediging, dan moeten zij daar maar voor betalen. Uw plan is het, om een deel van uw belastinginkomsten te behouden, door ons te laten instaan voor de kledij en soldij van uw leger.’ BOSWELL. 'Sir, u zou niet van wij en u mogen spreken: wij vormen een Unie nu.' JOHNSON. ‘Er zullen toch verschillende belangen blijven, want de verhouding van de belastingopbrengsten is zo scheef. Als Yorkshire zou zeggen: “In plaats van belastingen af te dragen, zullen we een groter garnizoen onderhouden”, dan zou dat onredelijk zijn.’
Bij deze redenering had mijn vriend het zeker mis. De landopbrengsten zijn even ongelijk verdeeld tussen verschillende delen van Engeland, als tussen Engeland en Schotland; nee, ook binnen Schotland zelf lopen die sterk uiteen. Maar tussen de talrijke takken van publieke ontvangsten, stellen de landopbrengsten maar een klein gedeelte voor, en al die andere betaalt Schotland net zo goed als Engeland. Een Franse invasie in Schotland zou al snel tot in Engeland doordringen.

James Boswell, The Life of Dr. Johnson; A.D. 1776
in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts, lately Master of Pembroke College, Cambridge. 1958, J.M. Dent & Sons Ltd
Everyman’s Library n°1, deel I, p. 608

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html